Drs. Jessie Pietens

over de website www.rampjaar1672.info

In januari 2021 studeerde Jessie af van de research master Classical, Medieval and Early Modern Studies aan de Rijksuniversiteit Groningen. Tijdens haar studie specialiseerde zij zich in de middeleeuwse en vroegmoderne culturele-, sociale-, en politieke geschiedenis en letterkunde van Engeland, Schotland en Nederland.

Meer lezen

Drs. Merle Lammers

over het Rampjaar

Merle Lammers rondde in juli haar opleiding tot militair historicus aan de Universiteit van Amsterdam af. Tijdens haar bachelor studie in Leiden had Merle al veel interesse voor burgers in oorlogstijd, nieuws(cultuur) en boekgeschiedenis.

Meer lezen

Het Rampjaar, oorzaken en aanleiding

Het is 1672. Rondom Nederland – toen nog de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën (of kortweg de Republiek) – beginnen Engeland en Frankrijk samen met de bisschoppen van Münster en Keulen, op de grenzen te drukken. Maar hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan? Kwam de Republiek niet net uit een tijd van voorspoed en welvaart? En hoe kon het land binnengevallen worden door Frankrijk en Engeland, die – net als veel andere landen in Europa – toch financieel en op enkele andere vlakken achterliepen op de Republiek. Na 1660 veranderde de economische situatie van Engeland en Frankrijk drastisch en wisten zij samen verandering te brengen in de gunstige situatie van de Republiek.[1] Maar wat was precies die situatie van de Republiek en hoe verslechterde deze tot zij in 1672 tot een catastrofaal dieptepunt kwam?


Portret van stadhouder Willem II, prins van Oranje (1626-1650), Gerard van Honthorst (atelier van). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A 

Daarvoor moeten we eerst terug naar 1650, het jaar waarin stadhouder Willem II van Oranje kwam te overlijden. Dit was de start van wat wij nu het eerste stadhouderloze tijdperk noemen. Dit tijdperk werd gekenmerkt door een binnenlandse ontplooiing van de heerschappij van regenten (ook wel de ‘Ware Vrijheid’ genoemd) en buitenlandse handelsoorlogen. Tijdens deze periode van ‘Ware Vrijheid’ waren de regenten meester op eigen grond en in eigen stad. De Republiek bestond uit zeven semi-soevereine provincies.[2] Hierin nam het machtige gewest Holland een van de grootste rollen op zich, met aan het hoofd de in 1653 benoemde Raadspensionaris Johan de Witt. Nadat de Staten van Holland besloten hadden dat een stadhouder niet langer noodzakelijk was, wisten zij ook de andere gewesten, behalve Friesland en Groningen, hiervan te overtuigen. De laatste twee behielden de graaf van Nassau als stadhouder. De factie die een besturing door de staat prefereerde boven de besturing door een stadhouder noemen we de staatsgezinden. Volgens hen diende het staatsbelang altijd voor te gaan op het eigen- en dynastieke belang van de vorst.[3]

Portret van Johan de Witt
Portret van Johan de Witt (1625-1672), raadpensionaris van Holland, Jan de Baen (kopie naar). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-13.

Niet iedereen was het echter eens met deze overname door de regenten. De zogenaamde prinsgezinde factie zag liever dat Willem III, de postuum geboren zoon van Willem II en de Engelse prinses Maria Stuart, het stadhouderschap zou overnemen wanneer hij volwassen werd. Volgens hen was het een goddelijk recht van de Oranjes om deel te nemen in het bestuur van het land. Veel van de aanhangers van deze factie waren niet alleen regenten, maar vooral ook de gewone bevolking ondersteund door predikanten.[4] Deze tegenstelling tussen prinsgezinden en staatsgezinden moeten we echter niet zien als dé tweestrijd waar het in de Republiek allemaal om draaide.[5] Het waren eerder twee ongeorganiseerde groepen waartussen een ideologische tegenstelling bestond. De meesten lieten zich in eerste instantie leiden door geheel andere belangen, bijvoorbeeld pragmatisch, materialistisch of dynastiek, dan door deze ideologische kwestie over de invloed van de Oranjes.[6] De belangen van de eigen familie en de stad gingen eigenlijk altijd voor.[7]

Portret van Willem III (1650-1702)
Portret van Willem III (1650-1702) op ca. driejarige leeftijd, Gerard van Honthorst (atelier van). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-521.

Hoewel er geen duidelijke partijen bestonden, bestond er wel degelijk politieke tegenstelling. De handelsoorlogen vereisten een voortdurende stellingname van de regenten. Naast de binnenlandse problematiek speelde de Republiek dus ook een aanzienlijke rol op het Europese toneel. De Republiek was dankzij haar handel, scheepvaart tot grote welvaart gekomen. Zo nam een van de kleinste landen in Europa een van de meest vooraanstaande en machtigste posities in.[8] Het liefst deed de Republiek dit door algehele afzijdigheid en onthoudingspolitiek om zo de handelsbetrekkingen te beschermen. Deze politiek hield echter niet lang stand, want de defensieve allianties van De Witt bleken uiteindelijk niet genoeg om de ‘vijand’ buiten de deur te houden.[9] Na de vrede van Münster (1648), die voor de Republiek het einde van de Tachtigjarige Oorlog betekende, zien we de Engelse en Franse regering overgaan op een nieuwe economische politiek waarin de belangen van eigen nijverheid en handel beschermd en bevorderd werden.[10] De Witt moest hierdoor steeds verder buigen onder verdragen en compromissen die hem door Engeland en Frankrijk werden opgelegd.[11] 

Eerder stuurde Engeland aan op een alliantie, maar hierin was er voor de Republiek maar weinig ruimte.[12] In 1651 besloot Engeland de Akte van Navigatie op te stellen, waarin buitenlandse schepen alleen nog goederen mochten aanvoeren die uit het betrokken land zelf afkomstig waren. Dit was een aanleiding voor de eerste Engelse-Nederlandse oorlog (ook wel de Engelse Zeeoorlog genoemd), die duurde van 1652-1654. De Republiek bleek op deze zeeoorlog echter niet goed genoeg voorbereid.[13] Voor de moderne Engelse marine, die uitgerust was met echte oorlogsschepen, was de vloot van de Republiek – die bestond uit allerlei ingehuurde bewapende koopvaardijschepen – geen partij. De koopvaardij en visserij kwamen vrijwel tot stilstand en zorgden voor onrust en opstand tegen de ‘Ware Vrijheid’ in de Republiek. Ook groeide de roep om de Oranjes. De Engelse Lord Protector Oliver Cromwell – die tijdens het interregnum Engeland bestuurde – probeerde de ‘Ware Vrijheid’ enigszins te beschermen, gezien hij ook geen baat had bij de terugkeer van de Oranjes, die familie waren van de zojuist afgezette en onthoofde Engelse koning Karel I.[14]

Portret van Lord Protector Oliver Cromwell (1599-1658)
Portret van Lord Protector Oliver Cromwell (1599-1658)Samuel Cooper. Collectie National Portrait Gallery (Londen). Via Wikimedia Commons.

Aan het eind van de oorlog werd bij de Vrede van Westminster in 1654, tot de teleurstelling van de Republiek, de Akte van Navigatie gehandhaafd. De Engelse regering eiste tijdens de vrede ook dat de Prins van Oranje voor altijd uitgesloten zou worden van het stadhouderschap. Deze clausule werd door de Republiek geweigerd en werd uiteindelijk dan ook niet in het vredesverdrag opgenomen. Toch sloot de provincie Holland in het geheim dit verdrag met Engeland. Dit verdrag werd de Akte van Seclusie genoemd en verplichtte Holland het ambt van stadhouder nooit aan Willem of zijn nakomelingen te zullen verlenen.[15] Toen bleek dat De Witt hierin op eigen gezag en buiten vrijwel iedereen om had gehandeld, was de verontwaardiging groot. Hoewel de machtspositie van De Witt en de staatsgezinden door de akte versterkt werd, zou dit een blijvend zeer veroorzaken bij de prinsgezinden.[16] Na de vrede probeerde De Witt toenadering te zoeken tot de Engelse koning Karel II, die na het interregnum de troon van Engeland had bestegen. Dit ging echter moeizaam en in december 1660 hernieuwde Engeland de Akte van Navigatie. Uiteindelijk sloot De Witt in 1662 een verdrag met Frankrijk, waarin beide landen elkaar hulp toezegden in het geval van een aanval door derden en waarin ook een overeenkomst over handel werd gesloten.[17] 

Karel II, koning van Engeland (1630-1685)
Karel II, koning van Engeland (1630-1685), Thomas Hawker, Collectie National Portrait Gallery (Londen). Via Wikimedia Commons.

Uiteindelijk werd de oorlog tussen Engeland en Nederland toch hervat. Door grote oorlogsuitgaven kwam de Engelse regering diep in de schulden. Tijdens de tweede Engelse Zeeoorlog (1665-1667) kon de oorlogsvloot zelfs niet uitgerust worden.[18] Hoewel de Republiek eerst niet aan de winnende hand was, behaalde deze toch de overwinning toen admiraal Michael de Ruyter de Theems opvoer en de in Chatham afgemeerde Engelse vloot vernietigde.[19] Deze winst was in het voordeel voor de staatse regering van de Republiek. Dit gold met name voor Johan de Witt, die van de winst gebruik maakte om de positie van de Staten van Holland te verstevigen. Door middel van het Eeuwig Edict, gesloten op 5 augustus 1667, legden de Staten van Holland vast dat geen stadhouder in de Republiek in de toekomst nog de titel van kaptein-generaal of admiraal-generaal mocht houden. Wel kreeg Willem III een plek in de Raad van State, een belangrijk bestuursorgaan van de republiek.[20] Hoewel de Republiek bij de Vrede van Breda in 1667 Nieuw-Nederland (het huidige New York) definitief overdroeg aan de Engelsen, verwierf zij in ruil daarvoor Suriname.[21] Hoewel er nu veel geïnvesteerd was in de vloot van de Republiek, was er op het landleger drastisch bezuinigd. Dit zou de Republiek in 1672 duur komen te staan. Ook was tijdens de Tweede Engelse Zeeoorlog de bisschop van Münster, Bernard von Galen (bij velen bekender als Bommen Berend) de Republiek binnengevallen. Hij veroverde daar enkele steden. De Republiek deed een beroep op het verdrag met Frankrijk, wat leidde tot een vrede met de Münsterse bisschop in 1666.[22]

Schepen van de Engelsen worden in brand gestoken tijdens de Tocht naar Chatham (20 juni 1667)
Schepen van de Engelsen worden in brand gestoken tijdens de Tocht naar Chatham (20 juni 1667), onderdeel van de Tweede Engelse Zeeoorlog (1665-1667)Jan van Leyden. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-1386.

Hoewel dit een voorspoedig vredesbesluit was, was er ook een keerzijde. In 1667 vielen de Franse legers de Spaanse (Zuidelijk) Nederlanden binnen. In 1668 sloten Engeland, Zweden en de Republiek daarom een verbond ter handhaving van de machtsbalans in Europa. Lodewijk XIV sloot datzelfde jaar nog vrede, maar slechts met een kleine winst.[23] Lodewijk moest akkoord gaan met een bescheiden gebiedswinst in de Spaanse Nederlanden. Als reactie op de Nederlandse bemoeienis met de Franse inval op de Spaanse Nederlanden werd de mercantilistische politiek van Frankrijk sterk verscherpt.[24] In juni 1670 sloten de Engelse koning Karel II en de Franse koning Lodewijk XIV het geheime Verdrag van Dover, waarin zij besloten zich samen tegen de Republiek te keren. Rond de jaren zeventig van de zeventiende eeuw ontstond er onenigheid tussen de regenten van de Republiek over het versterken van de verdedigingswerken. Sommigen vonden dit nodig omdat een toekomstige oorlog met Frankrijk onvermijdelijk leek. De Witt had meer geld nodig voor landsdefensie en deed verschillende voorstellen aan de Staten van Holland. Toen Amsterdam aan het eind van 1670 eindelijk meeging in de plannen van De Witt begonnen de discussies opnieuw, dit keer in de Staten-Generaal, waar de Staat van Oorlog door alle zeven gewesten moest worden goedgekeurd. Hoewel de vloot nog in enige staat van paraatheid kon worden gebracht, slaagde De Witt er niet in hetzelfde te bereiken voor het landleger, wat sterk gedecentraliseerd was.[25]

Portret van Lodewijk XIV (1638-1715) uit ca. 1670.
Portret van Lodewijk XIV (1638-1715) uit ca. 1670. Anoniem (naar Claude Lefèbvre). Collectie museum Chateau de Versailles (Parijs). Via Wikimedia Commons.

Tijdens 1670 en 1671 groeide steeds meer het momentum van de beweging die vóór de verheffing van de prins van Oranje was. Men hoopte – door Willems familiebanden met het Engelse koningshuis – dat de Oranjes voor een nadere verbintenis tussen Engeland en de Republiek konden zorgen. Om dit te bewerkstelligen was het volgens hen noodzakelijk dat Willem werd toegelaten tot de regering en een belangrijke positie zou bekleden. Andere regenten hoopten weer op een bondgenootschap met Engeland door Willem tot kapitein-generaal te benoemen; een beslissing die lijnrecht in zou gaan tegen wat er besloten was in het Eeuwig Edict van een paar jaar eerder. Op 4 december 1671 deed Enkhuizen het voorstel de jonge prins van Oranje tot kapitein-generaal van het leger te benoemen. Een meerderheid van de Staten stemde in met dit voorstel. Holland probeerde de prins nog beperkende voorwaarden op te leggen en wilden hem slechts benoemen voor één veldtocht. Toch werd in januari van 1672 – aan de start van wat later het Rampjaar zou heten – door de Staten besloten mee te werken aan de benoeming van Willem III.[26]

Maar ondertussen had Lodewijk XIV een verdrag gesloten met de bisschoppen van Keulen en Münster. Hierdoor kon Lodewijk met zijn troepenmacht van 120.000 soldaten over het grondgebied van de bisschoppen trekken en hiermee de vrede met Spanje bewaren door de Zuidelijke Nederlanden – toen nog onder Spaans bewind – te vermijden.[27] Op 12 juni 1672 viel het Franse leger onder leiding van Lodewijk de Republiek via het oosten binnen.[28] De Witt was er niet vanuit gegaan dat de Franse en Engelse regering – nu respectievelijk met het grootste landleger en de grootste vloot in Europa – tot de aanval zouden overgaan. De Republiek was dan ook niet voorbereid op de aanval. Daarnaast was tijdens de Tweede Engelse Zeeoorlog de roep om Oranje toegenomen en tijdens de binnenval van de vijandige legers was daardoor de verheffing van Willem tot stadhouder en beschermer van de Republiek onvermijdelijk geworden. In juli 1672 werd hij stadhouder Willem III.[29] 

Portret van Willem III uit ca. 1680-1684.
Portret van Willem III uit ca. 1680-1684. Caspar Netscher. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-C-194.

[1] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 29.

[2] J.C.H. Blom en E Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 190.

[3] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 19, 29.

[4] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 20-1.

[5] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 193.

[6] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 20-1.

[7] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 193.

[8] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 194.

[9] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 29.

[10] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 194.

[11] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 29.

[12] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 113.

[13] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 195.

[14] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland, 113-4

[15] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 195.

[16] Wienga, Geschiedenis van Nederland, 115.

[17] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland, 116.

[18] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 22, 28.

[19] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland, 116.

[20] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 22, 28.

[21] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 196.

[22] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland, 115, 118.

[23] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 196.

[24] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland, 118.

[25] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 23-5.

[26] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 25.

[27] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland, 119.

[28] Dreiskämper, Redeloos, radeloos, reddeloos, 41.

[29] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 197-8.

Verloop van het Rampjaar

Nadat eerst op 27 maart 1672 de Engelsen een oorlogsverklaring publiceerden, volgde ook de publicatie van de Franse oorlogsverklaring aan de Republiek op 6 april.[1] Op 12 juni lukte het Lodewijk XIV (de Zonnekoning) om – dankzij droogte, laag water en een slechte verdediging – bij Lobith met zijn leger de Republiek binnen te trekken.[2] Normaal gesproken was een oprukkend leger maar een trage massa, maar de aanval van de Fransen was snel, geconcentreerd en gedisciplineerd.[3] De eerste verdedigingslinie van de Republiek lag langs de IJssellinie, die liep via Zwolle, Deventer, Zutphen en Doesburg tot aan Arnhem.[4] Deze linie zou de belangrijkste provincies buiten schot moeten houden.[5] Hij was nu echter met één klap onhoudbaar gemaakt.

Lodewijk XIV trekt op 12 juni 1672 bij het Tolhuis bij Lobith de Rijn over
Lodewijk XIV trekt op 12 juni 1672 bij het Tolhuis bij Lobith de Rijn over Adam Frans van der Meulen. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A 3753

Al op 8 juni hadden de Staten van Holland opdracht gegeven te beginnen met de inundaties (onderwaterzettingen) van de tweede verdedigingslinie, de Hollandse Waterlinie. Deze liep van de Zuiderzee tot de Merwede. Eind juni stond bijna het gehele gebied tussen Amsterdam, Muiden, Gorinchem en Dordrecht onder water.[6]

Willem III had in de zomer van 1672 een samenwerking met Brandenburg en de Habsburgse keizer op poten weten te zetten.[7] Op de middag van 15 juni arriveerde Willem III bij de poorten van de stad Utrecht. Uit angst voor plundering door de vermoeide en gedemoraliseerde soldaten hield het Utrechtse volk de stadspoorten gesloten. De Staten-Generaal besloten daarop Utrecht niet te verdedigen en op 17 juni brak het leger op en trok het verder naar de Hollandse Waterlinie. Op 19 juni stuurde Utrecht een afvaardiging naar Lodewijk XIV met het verzoek de stad niet stormenderhand in te nemen. Op 26 juni capituleerde Utrecht.[8] In veel steden deden de lagere standen een greep naar de stadssleutels in de hoop controle te krijgen over de miserabele situatie.[9] Op 5 juli gaf Overijssel zich over aan de bisschop van Munster. Half juli gaf Gelderland zich over aan de Fransen.[10] In enkele weken tijd waren niet drie steden, maar drie hele provincies in handen van de vijand gevallen.[11]

Het stadsbestuur van Utrecht biedt de sleutels van de stad aan Lodewijk XIV aan Romeyn de Hooghe.
Het stadsbestuur van Utrecht biedt de sleutels van de stad aan Lodewijk XIV aan Romeyn de Hooghe. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-77.080

Hoewel het met de landmacht van de Republiek niet goed was gesteld aan het begin van 1672, gold dit niet voor de zeemacht. Deze laatste was goed georganiseerd, maar toch verliep het verkrijgen van subsidies zeer moeizaam. Hierdoor had Michiel de Ruyter slechts de helft van het totale aantal oorlogsschepen tot zijn beschikking. Op 7 juni bevocht de Republiek onder leiding van De Ruyter de Fransen en Engelsen in de zeeslag bij Solebay. Hieruit kwam geen winnaar voort, maar toch was dit een grote morele overwinning voor de Republiek. Hoewel de Republiek zwaar in de minderheid was, hadden zij een landing van de vijand op de Nederlandse kust geweken.[12] De Nederlandse vloot leek onder de leiding van De Ruyter alle gevaren van een dreigende invasie te kunnen voorkomen.[13]

Luitenant-admiraal Michiel de Ruyter (1607-1676)
Luitenant-admiraal Michiel de Ruyter (1607-1676) Ferdinand Bol. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A 44
Zeeslag bij Solebay, 7 juni 1672
Zeeslag bij Solebay, 7 juni 1672 Willem van de Velde de Jonge. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A 1716

Ondanks dit geweken gevaar begonnen de gemoederen en algehele verwarring in het land hoog op te lopen. De bevolking voelde zich bedreigd door de vijand en in de steek gelaten door hun eigen leiders. Overal vonden opstanden plaats en vanuit de hele Republiek stroomden vluchtelingen naar het westen. Binnen een zeer korte tijd na het binnenvallen van de Fransen had zich zoveel rampspoed voltrokken dat het volk een zondebok zocht om de schuld te geven van al deze ellende. Hun oordeel luidde: het was de schuld van ‘de staat’. Niet alleen regenten maar ook De Ruyter waren niet langer veilig.[14] Het volk bleef roepen om Oranje, terwijl het juist De Ruyter en de gebroeders De Witt waren die de successen van de afgelopen tijd op hun naam hadden staan.[15] Door de evenwichts- en neutraliteitspolitiek van raadspensionaris Johan de Witt maakte de Republiek zowel op economisch als op internationaal-politiek vlak een periode van bloei door.[16] Dit leek het volk echter niet te bedaren.

Het gewest Holland stelde voor vredesbesprekingen te openen. Dit voorstel werd op 15 juni overgenomen door de Staten-Generaal, terwijl Johan de Witt – die niets zag in de onderhandelingen – zich sterk verzette. Toch werd er op 21 juni een missie naar de Zonnekoning gezonden, met aan het hoofd Pieter de Groot. Eenmaal thuisgekomen gaf De Groot op 25 juni het advies aan de Staten van Holland om Lodewijk snel een riant aanbod te doen om verdere veroveringen en plunderingen in de Republiek te voorkomen. Amsterdam verzette zich tegen het voorstel van De Groot, maar toen zij op 26 juni niet aanwezig waren bij een vergadering werd er toch besloten over te gaan op een voorstel voor vredesonderhandelingen. Dit bevestigde voor het volk het complot dat de regenten het land aan de Fransen over wilden geven. Na terugkomst van De Groot in Frankrijk bleken de eisen van de Fransen neer te komen op een onvoorwaardelijke capitulatie van de Republiek.[17]

Het volk had geen vertrouwen meer in het bestuur en op 24 juni brak in Dordrecht grote oproer los. Met messen en bijlen bewapende burgers eisten de afschaffing van het Eeuwig Edict. Met deze wet had Johan de Witt het de prins ooit onmogelijk gemaakt om stadhouder te worden.[18] Op 29 juni werd het Eeuwig Edict in Dordrecht nietig verklaard en werd Willem III verheven tot stadhouder. Al snel volgden dezelfde opstanden in Gouda, Schiedam en Delft. Op 4 juli werd Willem door de Staten van Holland tot stadhouder benoemd. Op 16 juli benoemde ook Zeeland – na een aantal rellen en oproeren – hem tot stadhouder. De eisen die de Fransen eind juni hadden gesteld aan de vrede werden verworpen. Willem hoopte in onderhandelingen met zijn Engelse oom koning Karel II nog een aparte vrede met de Engelsen te sluiten maar dit was tevergeefs.[19]

In juli verscheen de eerste grote golf met pamfletten waarin de regenten van alle ellende in de Republiek beschuldigd werden. Johan de Witt werd in deze pamfletten afgeschilderd als de grootste schurk, die met de Fransen onder één hoedje zou spelen.[20] Niemand leek zich nog te kunnen herinneren wat De Witt en zijn broer voor het land hadden betekend en het Rampjaar werd hen aangerekend als persoonlijke schuld.[21] Op 26 juli werd Cornelis de Witt vastgezet in de Gevangenpoort in Den Haag op verdenking van een moordcomplot tegen Willem III. De spanningen en beschuldigingen liepen zo hoog op dat Johan de Witt op 4 augustus zijn ontslag indiende bij de Staten van Holland.[22] Gaspar Fagel werd door Willem III aangedragen als de nieuwe raadspensionaris. Op 15 augustus werd een brief van de Engelse koning aan Willem publiek gemaakt, waarin Willem werd verdedigd en de staatsgezinden werden veroordeeld. Deze brief was het doodsvonnis voor de gebroeders De Witt, die op 20 augustus in Den Haag door een boze menigte uit de Gevangenpoort werden gesleept en werden gelyncht. Willem III deed geen enkele poging de daders te bestraffen of zelfs op te sporen. Het is een zeer donkere bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis.[23]  

Portret van Cornelis de Witt (1623-1672)
Portret van Cornelis de Witt (1623-1672) Jan de Baen (kopie naar). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-14
De lijken van de gebroeders De Witt op het Groene Zoodje in Den Haag
De lijken van de gebroeders De Witt op het Groene Zoodje in Den Haag Jan de Baen (toegeschreven aan). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-15

            Eind juni en begin juli trokken de Duitse legers van de bisschoppen van Munster (Bernhard von Galen) en Keulen (Maximiliaan Hendrik) – in totaal zo’n 14.000 man – richting de provincies Friesland en Groningen. Na Coevorden ingenomen te hebben stuitten zij op 20 juli op de stad Groningen, waar net de inundatie van de gebieden rond de stad was afgerond. Gedurende meer dan een maand hield de stad stand tegen de ”beschietingen van Bommen Berend. Op 28 augustus staakten de aanvallers de belegering. Ze zagen  af van een veldtocht naar Friesland en keerden terug naar Overijssel.[24] Op diezelfde dag besloten de Staten van Holland dat de prins gemachtigd moest worden ‘de wet te verzetten’. Dit betekende dat hij voortaan het verheffing- en benoemingsrecht van regenten kreeg in Holland.[25] Hij verwierf dezelfde rechten ook in Zeeland. In 1674 wist Willem ook de andere staten te overtuigen hem dit recht tot deze ‘wetsverzettingen’ te geven en zo verkreeg hij een grote invloed in het benoemen van de afgevaardigden van de Staten-Generaal. Dit maakte hem feitelijk de dominante factor in de Staten-Generaal en dus in de Republiek, waardoor hij de facto regeerde als soeverein.[26]

            Eind september 1672 had het Staatse leger een omvang gekregen van ongeveer 75.000 man. Met de krijgsraad werd besloten om de Fransen wijs te maken dat zij Naarden van de Fransen zouden terugveroveren, terwijl zij in werkelijkheid een bliksemaanval zouden doen op Woerden, wat ook in handen van de Fransen was gevallen. Het werd – door een inschattingsfout aan de Nederlandse kant – een bloederig gevecht en de herovering van Woerden mislukte.[27] Op 27 December 1672 kwam de aanval van de Franse kant. Willem III had de Republiek verlaten voor een veldtocht naar het zuiden en had de graaf van Köningsmarck bevolen de Hollandse waterlinie te verdedigen met zijn leven. Maarschalk Luxembourg verliet Utrecht en trok richting de Hollandse Waterlinie, die door het koude weer langzaam maar zeker aan het dichtvriezen was. De sneeuw die viel verhulde echter hoe slecht het ijs was entijdens Luxembourgs overtocht ontstonden allemaal scheuren en barsten. Het Franse leger moest zich terugtrekken langs Bodegraven en Zwammerdam. Hoewel dit de enige weg terug was voor de Fransen, had Köningsmarck deze plaatsen niet goed genoeg verdedigd. Ze lagen voor het grijpen en werden door de Fransen geplunderd en in brand gestoken.[28]

Portret van François-Henri de Montmorency, hertog van Luxembourg (1628-1695)
Portret van François-Henri de Montmorency, hertog van Luxembourg (1628-1695) Anoniem. Collectie museum Chateau de Versailles (Parijs). Via Wikimedia Commons

Het tweede jaar van de oorlog werd ingeluid en vergde van beide partijen zeer grote militaire en financiële inspanningen, om over de sociaaleconomische impact voor het volk nog maar te zwijgen. De oorlog werd langzaam maar zeker een gebed zonder einde.[29] Kenmerkend voor het getouwtrek was de dubbele zeeslag bij Schooneveld en de slag bij Kijkduin. Hoewel De Ruyter zich opnieuw kranig wist te weren, kwamen ook hier geen echte overwinnaars uit de strijd.[30]

Zeeslag bij Kijkduin, 21 augustus 1673
Zeeslag bij Kijkduin, 21 augustus 1673 Willem van de Velde de Jonge. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-2393

Willems politiek zou gekenmerkt worden door zijn buitenlandse beleid, die er volledig op gericht was alle beschikbare krachten in Europa te verenigen tegen de ambities van de Franse Zonnekoning. Om dit doel te bevorderen sloot Willem in 1673 de Quadrupel Alliantie (ook wel Haagse Alliantie) met de Habsburgse keizer, Spanje en Lotharingen. Deze coalitie wist het bevoorradingscentrum van de Fransen in Bonn in handen te krijgen. Ongeveer rond dezelfde tijd wist de anti-Franse partij in Engeland de overhand te krijgen en werd koning Karel II niet langer (financieel) gesteund in zijn oorlog tegen de Republiek. Al snel werd het Lodewijk XIV hierdoor te heet onder de voeten.[31] In november van 1673 werd Utrecht ontruimd en trokken de Franse troepen zich oostwaarts terug uit de bezette provincies van de Republiek. Op 19 februari 1674 werd de Vrede van Westminster getekend met Engeland en op 22 april van datzelfde jaar volgde de vrede met de Bisschop van Munster en op 11 mei met die van Keulen.[32] Hiermee kreeg de Republiek ook de door hen veroverde gebieden weer terug.[33] De periode die wij als het Rampjaar bestempelen was hiermee afgesloten, maar rust was er nog niet. Pas in 1678 zou de Vrede van Nijmegen een einde maken aan het conflict waarvan het Rampjaar slechts het begin was: de Hollandse Oorlog. Dit conflict was slechts het begin van een langgerekt conflict met vele gevolgen.[34] 

Uittocht van het Franse leger uit Utrecht
Uittocht van het Franse leger uit Utrecht Romeyn de Hooghe (omgeving van). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-82.385

[1] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 2 ‘Godard Adriaan’, p. 28/28, bol.com kobo e-book

[2] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 41-2.

[3] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 2 ‘Godard Adriaan’, p. 8/28, bol.com kobo e-book.

[4] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 42.

[5] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 4 ‘De aanval’, p. 4/22, bol.com kobo e-book.

[6] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 45-6.

[7] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 126.

[8] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 43.

[9] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 7 ‘Water en sleutels’, p. 14/27, bol.com kobo e-book.

[10] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 46-7.

[11] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 198.

[12] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 53.

[13] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 199.

[14] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 56.

[15] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 199.

[16] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 126.

[17] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 58, 60.

[18] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 7 ‘Water en sleutels’, p. 22/27, 23/27, bol.com kobo e-book.

[19] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 63-8.

[20] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 69.

[21] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 198.

[22] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 8 ‘Tussen hoop en wanhoop’, p. 25/26, bol.com kobo e-book.

[23] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 71.

[24] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 50.

[25] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 9 ‘Men zegt…’, p. 30/33, bol.com kobo e-book.

[26] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 72, 74; Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 127.

[27] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 10 ‘Vechten als een vos’, p. 17/26, 20/26, bol.com kobo e-book.

[28] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 5-7/19, bol.com kobo e-book.

[29] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 14 ‘Het tweede oorlogsjaar’, p. 16/23, bol.com kobo e-book.

[30] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 124.

[31] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 199-200.

[32] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 75.

[33] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 126.

[34] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 75.

Gevolgen van het Rampjaar

Hoewel de verhalen rondom het Rampjaar bol staan van schurken- en heldendaden, van drama’s en triomfen, is het vooral ook het gewone volk wat deze moeilijke periode moest doorstaan. Zij hadden het zwaar te voortduren tijdens deze langgerekte periode van calamiteiten. De verhalen rondom het Rampjaar leggen vaak de nadruk op de hooggeplaatsten in de samenleving en de steden, maar het Rampjaar vond ook plaats voor het ‘gewone’ volk en het platteland. In de academische geschiedschrijving in het algemeen komt er de laatste decennia een groeiende interesse voor die laatste twee tot bloei, maar deze is in de populaire geschiedschrijving rondom het Rampjaar nog niet zo sterk doorgedrongen. De laatste keer dat het volk zich zo hevig in een politieke en ideologische strijd gemengd had als tijdens het Rampjaar was tijdens de Tachtigjarige Oorlog, van 1568 tot 1648. Het Rampjaar had grote blijvende gevolgen voor het politieke en maatschappelijke leven. Het Rampjaar zorgde voor een grote krach op de Beurs van Amsterdam. De Nederlandse handel en financiën werden lamgelegd.[1] Nadat de Fransen vertrokken waren uit de Republiek was er weinig meer over van de rijkdom en welvaart die de Republiek eens gekend had. Het land had het zwaar te voorduren gehad en er was aanzienlijke wederopbouw nodig.[2] Langzaam maar zeker probeerde men in de Republiek na het vertrek van de Fransen het leven weer op te pakken. Niet alleen de Fransen hadden het land in chaos achtergelaten, ook de regering had hieraan een aanzienlijk schuld. Hoewel de onderwaterzettingen (inundaties) wellicht een van de weinige manieren was om Holland te beschermen tegen de vijand, hadden deze inundaties grote schade achtergelaten. De Oude Hollandse Waterlinie had ervoor gezorgd dat het land en de bevolking verdeeld was geraakt in een vrij en een bezet deel. Door de langdurige inundaties van verschillende laaggelegen gebieden voor de linie waren veel weilanden en akkers moeras geworden. Het zoute water dat vanuit de zee was ingestroomd over de landerijen om Holland te beschermen, had ervoor gezorgd dat de bodem voorlopig niet meer gebruikt konden worden voor veeteelt of landbouw. Daarnaast was de veestapel vrijwel volledig verdwenen.[3] De boeren misten hun werk en inkomsten en de rest van het volk daardoor hun levensmiddelen. Holland was beschermd gebleven, maar de kosten daarvoor bij de rest van de gewesten waren enorm. Hoewel er door de desastreuze jaren veel kaalslag en verpaupering was, vond er hier en daar ook wederopbouw plaats. Dit laatste was echter wel enkel toebedeeld aan de rijken, die hiervoor de reserves hadden.[4]

Waverveen, door de Fransen in brand gestoken en verwoest
Isaac Sorious.
Waverveen, door de Fransen in brand gestoken en verwoest Isaac Sorious. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-59.680
Franse troepen houden huis in Nigtevecht
Franse troepen houden huis in Nigtevecht Isaac Sorious. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-59.669

De bouw van publieke werken kwam tijdens het Rampjaar ten einde en de kunsthandel stortte ineen. Nog decennialang zouden het Rampjaar en de daaropvolgende conflicten grote gevolgen hebben voor de kunst, de kunstenaars en de architectuur.[5] Ook had het grote gevolgen voor de beweging van het volk door het land. Een oorlog verscheurt gezinnen en zorgt ervoor dat mensen weggetrokken worden van huis en haard. Wanneer de laatste kanonskogels geschoten zijn en de stofwolken weer zijn gaan liggen is het altijd maar de vraag of je nog een huis hebt om naar terug te gaan. Meerdere malen vertrokken mensen van en naar Den Haag uit angst dat de Fransen en hun bondgenoten naderden. In steden als Delft, Leiden, Rotterdam en Amsterdam was er nauwelijks nog plek voor de vluchtelingen die ernaartoe stroomden.[6] Nadat de Fransen het land hadden verlaten moesten duizenden mensen weer terug naar huis, of wat daar nog van over was.[7] Het Rampjaar had desastreuze gevolgen gehad voor het land en de bevolking. Toch hadden de Europese mogendheden er nog niet genoeg van. De strijd op het grondgebied van de Republiek mocht dan grotendeels voorbij zijn, maar de oorlog was pas net begonnen. Hoewel de directe Franse dreiging voor de Republiek nu afgewend was, maakte Willem III er zijn levenswerk van om een Franse hegemonie in Europa tegen te gaan.[8]

Tijdens het Rampjaar wist Willem III zijn macht steeds verder te consolideren. Zoals eerder benoemd wist hij in 1674, na de ontruiming van de overige gewesten, een grote inspraak te verwerven in het benoemen van regenten en dus in de besturing van het land.[9] Dit was een wezenlijk andere positie dan waar hij zich in bevond toen in 1672 de Fransen bij Lobith de grens overstaken.[10] Vlak nadat de Fransen de Republiek hadden verlaten werd de prins gezien als de Redder des Vaderlands en werd hij door het volk in hun harten gesloten. Zijn populariteit was op een hoogtepunt, maar deze begon al snel te wankelen. Vele regenten vonden dat Willem de macht in de Republiek te snel naar zich toe aan het trekken was. Toen Gelderland Willem in 1675 de hertogstitel aanbood, nadat hij door de wetsverzettingen al zo veel macht verworven had, was de prins feitelijk op weg de soeverein van de gehele Republiek te worden.[11] Omdat Willem in zo’n korte tijd zo veel macht naar zich toe had weten te trekken, begonnen vooral Holland en Zeeland tegen te stribbelen. Hierdoor zag de prins af van het hertogdom. Hij wenste geen misverstanden rondom zijn bedoelingen te scheppen.[12] Het Rampjaar was dus het begin geweest van de macht en populariteit van de prins. Het slot van het Rampjaar was echter ook het begin van de langzame ondergang van zijn populariteit. Door de oneindige voortzetting van de oorlog vroeg men zich af of de prins het doel niet uit het oog was verloren. Vochten Willem en zijn bondgenoten nog wel voor de Republiek, of waren zij ondertussen voor zichzelf en hun eigen eer en winst aan het vechten?[13] Het volk en de regering wenste niet langer leeggezogen te worden door deze oneindige conflicten. Ondanks Willems verzet en zijn onvermoeibare wil om Lodewijks’ expansiedrang in te dammen was Holland de oorlog beu. Zij waren meer en meer geneigd om gehoor te geven aan vredesvoorstellen. Deze opvatting kreeg uiteindelijk de overhand. Samen met enkele verliezen die het Staatse leger in de loop van de jaren en vooral in 1677 te voorduren had gekregen, zorgde dit ervoor dat vredesbesprekingen niet langer uitgesloten konden worden. In 1678 kwam er met de Vrede van Nijmegen een einde kwam aan de Hollandse Oorlog.[14]

De Vrede van Nijmegen. In diverse steden werden vreugdevuren aangestoken
De Vrede van Nijmegen. In diverse steden werden vreugdevuren aangestoken Anoniem. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-82.493

Hoewel de prins van Oranje en vele van zijn bondgenoten profiteerden van het Rampjaar deed de Republiek dat zeer zeker niet. De start van het Rampjaar was het begin van het einde van de ‘Gouden Eeuw’ die het land had doorgemaakt. Langzaam maar zeker zette het verval van de Republiek in.[15] Het Rampjaar was daarnaast het begin van de Veertigjarige Oorlog, een langgerekte periode van aaneengesloten uitputtende oorlogen. Waar het Rampjaar de Republiek naar de rand van de afgrond had gebracht, zorgde de Veertigjarige oorlog ervoor dat het land volledig geruïneerd achterbleef.


[1] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 905.

[2] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 1/22, bol.com kobo e-book.

[3] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 1/23, bol.com kobo e-book.

[4] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 1/22, bol.com kobo e-book.

[5] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 905.

[6] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 11/19, bol.com kobo e-book.

[7] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 2/23, bol.com kobo e-book.

[8] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 199.

[9] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het Rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 73.

[10] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 201.

[11] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 127.

[12] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 929

[13] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 18/22, bol.com kobo e-book.

[14] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 201.

[15] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), ‘Epiloog’, p. 8/10, bol.com kobo e-book.

De Veertigjarige Oorlog (1672-1712)

Na het vertrek van de Fransen uit de Republiek, waarmee het slot van het Rampjaar werd ingeluid, was het nog lang niet gedaan met de conflicten tussen Frankrijk, de Republiek en hun bondgenoten. Het Rampjaar was het begin geworden van de Hollandse Oorlog, door de Fransen de Geurre de Hollande genoemd. Deze oorlog verliep van Op deze oorlog volgden nog vele andere oorlogen. Tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) probeerde Lodewijk XIV de protestante troonsbestijging van Willem III en zijn vrouw Maria in Groot-Brittannië tegen te gaan, ten behoeve van de Engelse katholieke Jacobus II. De reeks van conflicten werd uiteindelijke besloten met de Spaanse Successieoorlog (1701-1712). De Spaanse koning Karel II kwam kinderloos te overlijden en zowel de Franse Bourbons als de Oostenrijkse Habsburgers aasden in deze oorlog op zijn troon. Al deze oorlogen bij elkaar worden – door historicus Olaf van Nimwegen – de Veertigjarige Oorlog genoemd (1672-1712) Maar hoe zag het verloop van deze oorlog er dan uit?  Na het Rampjaar kabbelde de oorlog voort, links en rechts werden gebieden gewonnen en gingen ze weer verloren. Het getouwtrek tussen de Republiek en Frankrijk en de bondgenoten bleef doorgaan. Wel begon het duidelijk te worden dat de Fransen een voorsprong wisten de behalen.[1] Zonder maatschappelijk draagvlak zou het voor de prins van Oranje onmogelijk worden om zijn oorlogspolitiek voort te zetten.[2]

Portret van Maria Stuart II (1662-1695), de vrouw van Willem III
Portret van Maria Stuart II (1662-1695), de vrouw van Willem III Jan van der Vaart (toegeschreven aan). Collectie Nationaal Portrait Gallery (Londen)

Na afloop van 1673 besloot Lodewijk om terug te keren naar zijn oorspronkelijke plan uit juli 1671: het veroveren van de Spaanse Nederlanden en de Franche-Comté. Op 31 maart 1674 verklaarde het Heilige Roomse Rijk Lodewijk XIV de ‘Reichskrieg’ en sloten zij zich aan in de strijd tegen Frankrijk.[3] In 1675 werd de Franse veldmaarschalk Turenne gedood door een kanonskogel. Hierna verlieten de Fransen de Elzas en wonnen Willem en zijn bondgenoten van de Haagse Alliantie dus terrein. In datzelfde jaar diende de Franse generaal Condé zijn ontslag in. Zijn jicht weerhield hem ervan om zijn taken verder uit te kunnen voeren. Het vertrek van Turenne en Condé, twee zeer belangrijke functionarissen in het Franse leger, zorgde er echter niet voor dat de Fransen minder effectief te werk gingen.[4] Ook bezocht Willem in dit jaar Engeland, waar hij dong naar de hand van zijn nichtje Maria Stuart, dochter van de Hertog van York, de latere koning Jacobus II. Haar katholieke vader zag het huwelijk niet zitten[5] In 1676 verloor Willem Maastricht, en wist Lodewijk ook een aantal vestingen in de Zuidelijke Nederlanden te veroveren. In datzelfde jaar begonnen ook de vredesbesprekingen in Nijmegen.[6] Het was dan ook een positieve bijkomstigheid dat het Willem in 1677 toch lukte het huwelijk met Maria te sluiten.[7]

Portret van de Franse veldheer Hendri de La Tour d’Auvergne (Turenne) (1611-1675)
Portret van de Franse veldheer Hendri de La Tour d’Auvergne (Turenne) (1611-1675) Adam Frans van der Meulen. Collectie Pushkin Museum of Fine Arts. Via Wikimedia Commons
Portret van de Franse veldheer Lodewijk II van Bourbon-Condé (1621-1686)
Portret van de Franse veldheer Lodewijk II van Bourbon-Condé (1621-1686) Justus van Egmont (naar). Collectie museum Chateau de Versailles (Parijs). Via Wikimedia Commons

In 1678 tekende de Republiek op 10 augustus in Nijmegen een apart vredesverdrag met Frankrijk.[8] Willem had het liefst door willen vechten, omdat hij graag had gezien dat alle eisen van zijn bondgenoten gehonoreerd werden.[9] Na de Vrede van Nijmegen gingen steeds meer staten over op protectionistische maatregelen. De Republiek werd van steeds meer markten buitengesloten wat als gevolg had dat de groei van steden, die al sinds 1672 aan het afnemen was, nu tot stilstand kwam.[10] Daarnaast bleek de Vrede van Nijmegen meer voor de sier. In 1680 veroverden de Fransen het Spaanse fort Charlemont bij Givet aan de Maas en de zomer daarop trok het Franse leger het keurvorstendom Trier binnen. Later werd ook de belangrijke Spaanse vesting Luxemburg door de Fransen ingenomen, evenals Straatsburg, de hoofdstad van de Elzas. Langzaam maar zeker werd duidelijk dat Frankrijk de Spaanse Nederlanden alsnog probeerde in te lijven. Dit kon de Republiek niet laten gebeuren. In 1681 sloten de Staten-Generaal en Zweden een verdrag tegen Frankrijk en in 1682 sloten ook Spanje en het Heilige Roomse Rijk zich hierbij aan. Nog voordat zij de Spaanse koning versterkingen konden sturen had Lodewijk al besloten zich terug te trekken uit Luxemburg.[11]

Op 11 december 1683 verklaarde Spanje de oorlog aan Frankrijk. Hierdoor kon Lodewijk zijn belegering van Luxemburg legaal hervatte. De januari daarop trok de prins van Oranje alle militaire verloven in en gaf hij aan 24.000 soldaten de opdracht zich marsvaardig te houden. Een groeiend aantal regenten was echter bang dat een deelname aan de Frans-Spaanse Oorlog alleen het verlies van de Spaanse-Nederlanden tot gevolg kon hebben. Op 1 juni 1684 capituleerde Luxemburg, waarna de Staten Generaal akkoord gingen met het Franse voorstel voor een wapenstilstand. Op 15 augustus moesten ook Spanje en Oostenrijk zich neerleggen bij het Twintigjarig Bestand van Regensburg, die een einde maakte aan de Frans-Spaanse oorlog. Deze wapenstilstand hield echter nog geen vier jaar stand.[12] In 1685 werd in Frankrijk het Edict van Nantes herroepen. Dit edict had tot dan toe de protestanten een status van een door de wet getolereerde minderheid gegeven. Protestante vluchtelingen vertrokken naar de Nederlanden, Zwitserland, Brandenburg en andere protestante gebieden. In datzelfde jaar overleed de protestante koning Karel II van Engeland en nam zijn katholieke broer Jacobus II de troon over. Hoewel de katholieken in Engeland een minderheid waren en gewantrouwd werden kondigde Jacobus een edict van tolerantie af die volgens velen de katholieken voortrok.[13] Het werd de protestanten in Europa nu wel erg heet onder de voeten, en dus was er actie nodig.

Jacobus II (1633-1701) koning van Engeland, Schotland en Ierland
Jacobus II (1633-1701) koning van Engeland, Schotland en Ierland Anoniem. Collectie National Portrait Gallery (Londen). Via Wikimedia Commons

In juni 1688 werd er in Engeland een mannelijke troonopvolger geboren. De angst voor de mogelijkheid op een katholieke dynastie in Engeland kwam nu wel erg dichtbij en dus besloot Willem III in te gaan op de uitnodiging van de Engelse oppositie om deze dynastie te verjagen en zelf, samen met zijn vrouw, de kroon aan te nemen. Zijn plan verliep succesvol en hun overname van de kroon werd de ‘Glorious Revolution’ genoemd. Zij wisten Jacobus naar Frankrijk te verjagen en werden door het Engelse Parlement erkend als gezamenlijke vorsten. Als koning van Engeland en stadhouder van de Republiek kon Willem nu de ideale coalitie vormen met de keizer van het Heilige Roomse Rijk, Spanje en een aantal Duitse vorsten. Er volgde nog een lange periode van veldslagen, beleggingen, bloed en onrust, vooral in het gebied van de Spaanse Nederlanden. In de winter van 1695-1696 besloot Lodewijk dat er een einde moest komen aan de uitputtingsstrijd die wij de Negenjarige Oorlog (1688-1697) noemen. Wederom had Willem liever doorgevochten, maar een muntcrisis in Engeland dwong hem ertoe genoegen te nemen met een gewapende vrede. In 1697 werd de Vrede van Rijswijk gesloten, waarin Lodewijk XIV er niet al te bekaaid vanaf kwam.[14] Deze vrede leverde Frankrijk veel territoriale winst op ten koste van Spanje en het Duitse Rijk. Wel moest Lodewijk afstand doen van Maastricht en stemde hij erin toe het vorstendom Orange terug te geven aan Willem.[15]

Gezanten van de geallieerden vergaderen te Rijswijk Via Historische Vereniging Rijswijk
Gezanten van de geallieerden vergaderen te Rijswijk Via Historische Vereniging Rijswijk

Er stond wat druk op de zaak. Koning Karel II van Spanje, die door jaren van inteelt in de Habsburgse familie een erg zwak gestel had, zou binnenkort komen te overlijden. Karel II had geen erfgenamen. Zowel de Franse Bourbons als de Oostenrijkse Habsburgers aasden op zijn troon. Nog voor Karels overlijden deed Willem een poging om met Lodewijk en de Keizer tot een eerlijke verdeling van Karels rijk te komen, maar door een aantal specifieke omstandigheden mocht dit niet baten.Op 7 september 1701 sloot Willem de tweede Grote Alliantie tegen Frankrijk.[16] Het was een van de laatste dingen die Willem zou ondernemen, want in maart van 1702 kwam hij zelf te overlijden. In mei van datzelfde jaar, na het overlijden van de Spaanse koning, barstte de Spaanse Successieoorlog los.[17] Aan deze oorlog kwam pas in 1713 met de Vrede van Utrecht een einde.[18] Filips V, de kleinzoon van Lodewijk XIV, kreeg Spanje en de koloniën, behalve Gibraltar en Menorca, die naar Groot-Brittannië gingen.[19] Oostenrijk ontving de Spaanse Nederlanden, Milaan en het koninkrijk Napels. De Republiek was financieel uitgeput en was in 1715 niet langer in de gelegenheid de obligatiehouders hun rente te betalen. Lodewijk XIV en de Republiek kwamen in 1715 beide op een manier aan hun einde. Lodewijk was overleden en de Republiek was bankroet.[20]

Karel II van Spanje (1661-1700)
Karel II van Spanje (1661-1700) Juan de Miranda Carreño. Collectie Kunsthistorisches Museum Wien

[1] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 20/22, bol.com kobo e-book.

[2] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 150.

[3] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 136.

[4] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 20/22, bol.com kobo e-book.

[5] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[6] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 20/22, bol.com kobo e-book; Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 153.

[7] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[8] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 21/22, bol.com kobo e-book.

[9] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 21/22, bol.com kobo e-book.

[10] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), ‘Epiloog’, p. 8/10, bol.com kobo e-book.

[11] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 169-70.

[12] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 172-5, 255.

[13] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 201-2.

[14] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 202.

[15] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[16] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 258.

[17] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 202.

[18] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), ‘Epiloog’, p. 9/10, bol.com kobo e-book.

[19] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 343.

[20] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), ‘Epiloog’, p. 9/10, bol.com kobo e-book.

Politieke veranderingen

Wetsverzettingen

Na de moord op de gebroeders De Witt stond het bestuur van de Republiek op zijn kop. In Rotterdam had de schutterij de macht overgenomen van de stadregering. Op 22 augustus dwongen de kapiteins van de schutterij de vroedschappen bijeen te komen om de regenten, die volgens hen ‘verraders’ waren, af te zetten.[1] De schutterij had een lijst opgesteld met personen die zij graag in het stadsbestuur zouden willen zien en dwongen de burgermeesters en vroedschapsleden deze lijst te ondertekenen. Deze lijst was goedgekeurd door Willem III, die daarmee de schutterij en hun gewelddadige machtsgreep steunde.[2] In Rotterdam werden de vrijgekomen bestuursfuncties veelal opgevuld door gezworen prinsgezinden en orthodoxe calvinisten.[3] In andere steden deden zich soortgelijke ontwikkelingen voor.[4] Op 26 augustus kwam in de Staten van Holland de vraag aan de orde wat er gedaan kon worden aan de onrust in de steden.[5] Gaspar Fagel, de raadspensionaris die Johan de Witt vanaf 20 augustus opvolgde, stelde daarom op 27 augustus voor aan de Staten van Holland om in de overige onrustige steden Willem III de bevoegdheid te geven om ook daar falende regenten uit hun ambt te ontslaan.[6] Op 28 augustus machtigde de Staten van Holland de prins van Oranje om door ‘overreding, beschikking en indien nodig, door dwang’  de ‘wet te verzetten’ en dus de regenten te ontslaan en aan te stellen zoals hij dat nodig achtte voor het herstel van de orde in de Republiek.[7]

De macht die Willem verkreeg met deze wetsverzettingen was enorm. Verschillende steden vroegen om de bemiddeling van de prins van Oranje. Ook buiten Holland kreeg de stadhouder benoemingsrechten. In Zeeland werden de regenten op vergelijkbare wijze verstoten door de burgerij. De burgers beschuldigden hen veelal van het ineenstorten van de West-Indische Compagnie, die normaliter voor de Zeeuwse burgers veel geld opbracht. Begin augustus begonnen de oproeren in Middelburg en enkele andere steden volgden. Hier zette de burgerij zelf regenten af en vervolgens vroegen zij Willem, die ook in Zeeland tot stadhouder was benoemd, om de nieuwe regenten te accorderen.[8] Ook kreeg Willem inspraak in de benoeming van de Hollandse afgevaardigden in de Staten-Generaal. Samen met Fagel wist Willem zo menig besluit door te drukken. Nadat alle gewesten waren ontruimd door de Franse bezetter, zetten Willem III en Fagel hun plannen ook in andere steden en gewesten voort.[9]

Raadpensionaris Gaspar Fagel (1634-1688)
Raadpensionaris Gaspar Fagel (1634-1688) Johannes Vollevens. Via Wikimedia Commons

Er werden zo veel regenten vervangen, dat er heren uit andere gewesten moesten komen om de leegtes in andere steden en provincies op te vullen.[10] De regenten werden allen vervangen door functionarissen die de prins beter gezind waren. Dit betekende echter niet dat er overal prinsgezinden werden aangesteld. De nieuwgekozen regenten waren vaak simpelweg van de tegenovergestelde factie dan diegene die eerder aan de macht was geweest. [11] Hoewel er veel regenten werden afgezet, lukte het niet een einde te maken aan de ideologische rivaliteit. Niet alle staatsgezinden waren plotseling verdwenen. Bovendien waren veel van de nieuwe regenten nog onervaren in het stadsbestuur, wat ook zorgde voor onrust.[12] Van de in totaal 460 vroedschappen in de 18 stemhebbende steden werden er 130 regenten vervangen. Grotere veranderingen waren misschien wel gepland, maar konden niet plaatsvinden omdat er niet genoeg geschikte kandidaten waren en omdat een té grote verandering alleen maar voor onrust in het stadsbestuur zou zorgen. In wezen veranderde er dus niet zo veel aan het staatsbestel.[13]

De groei van Willems macht en populariteit leek niet te stoppen, maar toch werd deze in 1675 een halt toegeroepen, toen hij van de Staten van Gelderland de hertogstitel aangeboden kreeg. Holland en Zeeland waren bezorgd over de manier waarop Willem de macht in de Republiek naar zich toetrok.[14] De prins bedankte dan ook voor de titel. Hij wenste geen misverstanden rondom zijn bedoelingen te scheppen.[15] Willem zou tot aan het eind van zijn leven bezig blijven met het verwerven of behouden van steun bij de regenten en machtige facties in de Republiek.[16]

Pamflettencultuur

Cultuur, literatuur, wetenschap en vooral ook politiek raakten in de zeventiende eeuw in een stroomversnelling doordat informatie die gedrukt was snel en vooral wijd verspreid kon worden. De Republiek liep al enige tijd voorop in deze ontwikkeling. In de vroegmoderne periode was een petitie (ook wel een rekest of verzoekschrift genoemd) in West-Europa een algemeen geaccepteerde manier voor burgers en onderdanen om invloed uit te oefenen op (lokaal) bestuur. Dit soort petities gingen vaak over stedelijke zaken, zoals bijvoorbeeld de indeling van publieke ruimtes, infrastructuur of economie. Meestal waren deze petities niet politiek van aard, maar in 1672 veranderde dat. Vanaf dat jaar werden petities niet langer alleen aangeboden aan de overheid, maar verschenen zij ook in druk op de markt als politieke publicaties. Zij werden daarmee onderdeel van de zeventiende-eeuwse pamflettencultuur.[17] 

Aan de hand van deze pamfletten kon men een eigen mening vormen over de politieke koers en hoewel de pamfletten niet direct op die politieke koers van invloed waren, konden ze door de regenten ook niet genegeerd worden.[18] Pamfletten waren toegankelijk, ze konden namelijk voor hoogstens een paar stuivers gekocht worden en werden in grote steden ruimschoots aangeboden.[19] Pamfletten werden niet alleen gelezen en gebruikt door het publiek, maar ook door de overheid zelf, die de pamfletten dikwijls gebruikten om het publiek het idee te geven dat er veel draagvlak was voor de plannen van de regenten voor de samenleving. Deze strategie kwam tijdens het Rampjaar en vooral tijdens het laatste kwart van de zeventiende eeuw erg veel voor.[20] Pamfletten speelden een grote rol in het aanwakkeren van de haat tegen de regenten.[21] In de aanloop naar de zomer van 1672 werd de toon in deze pamfletten steeds harder. In de voorgaande jaren verschenen er zo’n dertig titels per maand, maar in juni waren dit er al honderdtwintig geworden.[22]

In juni 1672 was een groot deel van de Republiek in handen van de vijand gevallen. Dit werd opgevolgd door een grote pamflettengolf in diezelfde maand en de maand erop, waarin beweerd werd dat de snelle overhandiging van het land aan de vijand wel het gevolg van verraad moest zijn geweest.[23] Waar het in juni nog om honderdtwintig pamfletten ging, was dit in juli al opgelopen naar bijna honderdtachtig pamfletten.[24] Regenten werden hierin beschuldigd van alle ellende die het land had moeten doorstaan. Vooral de raadspensionaris Johan de Witt en zijn broer Cornelis moesten het ontgelden. Volgens veel van de pamfletten zou Johan de Fransen bewust hebben geholpen door het leger met opzet verwaarloosd te hebben. Hoewel De Witt zich juist tegen onderhandelingen met de Fransen had verzet, had het volk hier geen oor voor.[25] De tweede grote golf aan pamfletten kwam na de moord op de gebroeders De Witt, toen het volk gebood dat er een nieuw bestuur moest komen en dat zij hierin meer inspraak eisten.[26] Uiteindelijk zouden in het jaar 1672 meer dan zestienhonderd pamfletten worden gedrukt, wat bij elkaar neerkwam op zo’n achthonderdduizend tot 2,4 miljoen gedrukte teksten![27]

Hoewel er vooral tijdens het Rampjaar een zogenoemde ‘pamflettenstorm’ plaatsvond, bleven pamfletten en petities ook na het Rampjaar hét medium voor politieke oppositie. Burgers zagen zichzelf niet langer enkel als lid van een lokale gemeenschap, maar als één groep met gedeelde belangen. Hiervoor konden deze petities, die gemakkelijk wijd konden worden verspreid, goed gebruikt worden. Deze petities gaven burgers in de late zeventiende en achttiende eeuw een nieuwe manier om invloed uit te oefenen op het bestuur. Vanaf het laatste kwart van de zeventiende eeuw gingen oproeren steevast gepaard met gedrukte petities. Ook de regenten maakten er gretig gebruik van en kwamen zo met hun eigen neppetities op de proppen. Zo waren de pamfletten dus een kenmerkend onderdeel van de Nederlandse politieke cultuur geworden.[28]


[1] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 913.

[2] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 72.

[3] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 913.

[4] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 72.

[5] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 96.

[6] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 72.

[7] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 914; Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 9 ‘De ontruiming’ p. 30/33, bol.com kobo e-book.

[8] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 72.

[9] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 73.

[10] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 21 ‘De ontruiming’ p. 14/18, bol.com kobo e-book.

[11] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 72.

[12] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 919.

[13] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 98.

[14] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’ p. 18/22, bol.com kobo e-book.

[15] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 929

[16] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 98.

[17] Michel Reinders, “Die dit Bolject afscheurt, sal een Kogel tot vereeringh genieten: Pamfletten, petities en publieke politiek in de late zeventiende eeuw,” TMG Journal for Media History 13, 6 (2010): 6-8.

[18]J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 208.

[19] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), hoofdstuk 9 ‘Men zegt…’, p. 4/33, bol.com kobo e-book.

[20] Michel Reinders, “Die dit Bolject afscheurt, sal een Kogel tot vereeringh genieten: Pamfletten, petities en publieke politiek in de late zeventiende eeuw,” TMG Journal for Media History 13, 6 (2010): 8.

[21] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 69.

[22] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), hoofdstuk 9 ‘Men zegt…’, p. 4/33, 7/33, bol.com kobo e-book.

[23] Michel Reinders, “Die dit Bolject afscheurt, sal een Kogel tot vereeringh genieten: Pamfletten, petities en publieke politiek in de late zeventiende eeuw,” TMG Journal for Media History 13, 6 (2010): 11-12.

[24] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 9 ‘Men zegt…’, p. 7/33, bol.com kobo e-book.

[25] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 69.

[26] Michel Reinders, “Die dit Bolject afscheurt, sal een Kogel tot vereeringh genieten: Pamfletten, petities en publieke politiek in de late zeventiende eeuw,” TMG Journal for Media History 13, 6 (2010): 11-12.

[27] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 9 ‘Men zegt…’, p. 7/33, bol.com kobo e-book.

[28] Michel Reinders, “Die dit Bolject afscheurt, sal een Kogel tot vereeringh genieten: Pamfletten, petities en publieke politiek in de late zeventiende eeuw,” TMG Journal for Media History 13, 6 (2010): 6, 9, 13, 19.

Sociaal-economische ontwikkelingen

Gevolgen inundaties

Toen begin 1672 de oorlogsdreiging toenam, werd er in de maanden april en mei onderzoek gedaan naar de mogelijkheden tot het onderwater zetten ofwel inunderen van de Holland-Utrechtse laagvlakte.[1] Op 8 juni werd door de Staten van Holland de opdracht gegeven te beginnen met de inundaties.[2] De overlast van dit water was gigantisch. Vooral in het middengebied van de linie was er veel wateroverlast. Zo vielen er soms gaten in de Prinsendijk en andere keerkaden. Er was zowel voor de inwoners van de Republiek als voor de Fransen steeds meer sprake van wateroverlast. Het wapen dat de Republiek had ingezet om zichzelf te beschermen tegen de bezetter, werd door de Fransen ook tegen hen gebruikt. De Fransen lieten dijken doorgraven en lieten via de zeedijk bij Naarden meer zeewater binnenstromen. Zij probeerden op deze manier ‘Holland te verdrinken’.[3]

De boeren in de Republiek werden door de langdurige inundaties zwaar getroffen. De tot moeras geworden weilanden en akkers konden voorlopig niet meer gebruikt worden voor veeteelt of landbouw.[4] Het maakte dus niet uit of er nou wel of geen gewassen op het land stonden, wel of geen vee, de inundaties moesten doorgezet worden ter verdediging van Holland. Dit had grote gevolgen voor de boeren, die hun waren en inkomsten verloren, maar ook voor het volk, die hierdoor gekort werden in hun levensmiddelen. Maar de wateroverlast was niet het enige gevolg van de inundaties. De waterlinie had ervoor gezorgd dat de Republiek verdeeld was geraakt in een bezet en een vrij deel.[5] Het gebied langs de linie werd een strijd- en plundergebied, wat eveneens grote gevolgen had voor de omwonenden.[6] Toen de Franse veldheer Luxembourg eind december 1672 met zijn regiment over de bevroren waterlinie naar Holland probeerde te trekken, mislukte dit, maar dit had wel zijn beruchte strooptocht langs de plaatsen Zwammerdam en Bodegraven tot gevolg. De bevolking moest het daar ontgelden. Hij liet de plaatsen achter in een vlammenzee.[7]

Aan het eind van 1673 vond de Berenning van Naarden plaats, waarmee de aftocht van de vijand werd ingeluid. Eind december was het veilig genoeg om de inundaties te beëindigen.[8] Holland was beschermd gebleven, maar tegen welke prijs? Het land eromheen had zo’n anderhalf jaar onder water gestaan en het zoute water dat vanuit de Zuiderzee was komen stromen, had vooral in het noorden veel schade aan de vruchtbaarheid van het land aangericht. Het zou nog jaren duren voordat de landerijen weer zo vruchtbaar waren als voorheen. De veestapel was eveneens vrijwel geheel verdwenen.[9]

Belegering en verovering van Naarden door Willem van Oranje op 12 september 1673
Belegering en verovering van Naarden door Willem van Oranje op 12 september 1673 Romeyn de Hooghe. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-79.278

Economisch verval

De belangen van de burgers van het gewest Holland waren voornamelijk economisch en handelstechnisch van aard. Zij handelden over de hele wereld en deze handelsbetrekkingen moesten dan ook beschermd en verdedigd worden. Om die reden moest er in de buitenlandse politiek volgens hen dan ook naar vrede en behoud van de status quo gestreefd worden.[10] Tot 1660 liepen bijna alle landen in Europa in economisch opzicht achter op de Republiek. Door de economische bloei die de Republiek doormaakte verwierven zij een leidende rol in de internationale handel. Zij beschikten over de grootste handelsvloot, de laagste vrachtprijzen, de laagste belastingen en een enorm assortiment hoogwaardige handelswaren.[11] De Republiek was dankzij handel en scheepvaart tot grote welvaart gekomen. Zij waren de voornaamste vervoerders van Franse, Duitse en Engelse goederen.[12]

Na de vrede van Munster, die in 1648 in de Republiek een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog, veranderde de positie van Engeland en Frankrijk echter. Zij gingen over op een nieuwe economische politiek die de belangen van de eigen nijverheid en handel moest beschermen en bevorderen.[13] Rond 1660 begon de economisch vooraanstaande positie van de Republiek in het gedrang te komen. Deze commerciële belangen moesten met een consequente politiek ondersteund worden, maar de rivaliteit van Engeland en veroveringsdrang van Frankrijk dwongen de Republiek steeds verder mee te gaan in verdragen en compromissen.[14] De Engelse Akte van Navigatie van 1651 verbood buitenlandse schepen goederen aan te voeren die niet uit het eigen land afkomstig waren. De Franse minister van financiën Colbert legde de Republiek forse invoerrechten op en probeerde af te dwingen dat het transport van goederen van en naar Frankrijk voortaan alleen nog door Franse zeelieden werd gedaan.[15] Langzaam duwden Engeland en Frankrijk de Republiek naar de rand van de afgrond.[16]

Na het Rampjaar en het daaropvolgende vertrek van de Fransen was er weinig meer van de welvaart over. De dure oorlog had de staatskas leeggetrokken. Mensen waren op de drift geraakt, de economie was ineengestort en het land moest weer worden opgebouwd. De producenten van luxeproducten merkten dat er geen vraag meer was naar hun producten. Zo werden de eens zo beroemde Nederlandse schilders, zoals bijvoorbeeld Johannes Vermeer, in armoede oud. De schade aan de steden en dorpen in de ontruimde gebieden was immens. Utrecht, Gelderland en Overijssel hadden te maken met grootschalige ontvolking. In de stad Kampen zouden nog tot in de negentiende eeuw bouwvallen uit deze tijd te zien zijn. Dorpen als Nigtevecht, Breukelen en tientallen andere dorpen langs de oevers van de waterlinie hadden voortdurend blootgestaan aan de Franse furie. Het platteland van de Republiek was geplunderd en verbrand achtergelaten. Vooral de rijken waren na het vertrek van de Fransen in de gelegenheid hun leven weer op te pakken, zij hadden daartoe immers de reserves.[17]

Vluchtelingen

Toen de Fransen het land binnendrongen begon het volk zich te verplaatsen door het land. Dorpen en steden stroomden leeg. Een deel van de vluchtelingen nam de boot. Vanuit Harderwijk, Kampen en andere plaatsen die zich aan de Zuiderzee bevonden staken vluchtelingen over naar Hoorn, Monnickendam en Edam. Bewoners die zich niet in de buurt van het water bevonden namen de zandwegen naar het westen.[18] Deze mensen werden door de angst voor de bezetter van huis en haard verjaagd.

Tijdens het Rampjaar bevond het land zich veelal in chaos en verwarring. De bevolking die nu leefde in de Frans-bezette gebieden voelden zich volledig in de steek gelaten door hun eigen bestuurders. Veel van de boeren die moesten dienen in het Staatse leger vluchtten bij de aanblik van de vijand. Vanuit het bezette deel van het land kwam een grote stroom vluchtelingen op naar het westen. Hun gruwelijke verhalen over de bezetters gooiden nog meer kolen op het vuur van de paniek die alom heerste.[19] De vluchtelingen kwamen vooral uit het zuidoosten. Hier liepen de strategische valleien van de Maas en de Rijn doorheen, waarlangs de Fransen zouden oprukken.

Twee weken na de brandramp van Zwammerdam en Bodegraven in 1673, trokken angstige burgers nog steeds weg uit het onverdedigbare Den Haag. Ook was er nog steeds een massale trek van het platteland naar de steden. In Delft, Leiden, Rotterdam en Amsterdam was er nauwelijks nog plek voor alle vluchtelingen. Buiten de wallen van Amsterdam ontstonden lange rijen van vluchtelingen, die enkel door een klein deurtje in de hoofdpoort werden binnengelaten. Overal in het westen waren vluchtelingen die geen slaapplaats meer konden vinden.[20] Na het vertrek van de vijandige troepen uit de Republiek begon men langzaam weer terug te trekken naar huis. Duizenden vluchtelingen moesten terugkeren naar wat er nog over was na de plunderingen en brandstichtingen van de Fransen. [21]

Maar ook na het Rampjaar kreeg de Republiek te maken met vluchtelingen. In 1685 wordt het edict van Nantes herroepen en bestijgt de katholieke Jacobus II de troon in Engeland. In het Edict van Nantes werd de veiligheid van de protestante minderheid in Frankrijk gewaarborgd en werden de protestanten in Frankrijk getolereerd. De herroeping van dit edict maakte Frankrijk tot een zuiver katholieke staat. Dit, in samenhang met d troonsbestijging van een katholieke koning in Engeland, deed mensen vrezen voor een katholieke hegemonie in Europa. Hierdoor trok een grote stroom protestante vluchtelingen naar de Nederlanden, Zwitserland, Brandenburg en andere protestante gebieden.[22]


[1] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren diepe gronden, Stiltegebieden en Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 10.

[2] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 45.

[3] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren diepe gronden, Stiltegebieden en Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 14-5.

[4] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 1/23, bol.com kobo e-book.

[5] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 9 ‘Men zegt…’, p. 17/33, bol.com kobo e-book.

[6] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren diepe gronden, Stiltegebieden en Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 16.

[7] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 127.

[8] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren diepe gronden, Stiltegebieden en Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 17.

[9] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 1/23, bol.com kobo e-book.

[10] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 29.

[11] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 29.

[12] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 194.

[13] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 194.

[14] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 29.

[15] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 195-6.

[16] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 112.

[17] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 2/23, 5/23, Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 1/22, bol.com kobo e-book.

[18] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 6 ‘Vlucht’, p. 22/33, bol.com kobo e-book.

[19] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 56.

[20] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 11/19, Hoofdstuk 6 ‘Vlucht’, p. 23/33, 24/33, bol.com kobo e-book.

[21] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 2/23, bol.com kobo e-book.

[22] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 202.

Het Rampjaar in Nederland

Oude Hollandse Waterlinie

Vanaf april en mei 1572 werd er in Holland onderzoek gedaan naar de mogelijkheden tot het onderwater zetten van grote gebieden land ter verdediging van het gewest.[1] Terwijl na de binnenval van de vijandelijke troepen in het oosten van het land het ene na het andere gebied in de handen van de vijand viel, kon het gewest Holland schuil nemen achter de Hollandse Waterlinie. Deze linie was een aaneenschakeling van forten en sluizen langs een aantal rivieren, die ruwweg liep van de Zuiderzee tot de Merwede. Hiertussen lagen grote stukken weilanden en polders die, omdat ze gescheiden werden door rivieren, makkelijk gezamenlijk onder water gezet konen worden.[2] Verdedigbare stadjes als Heuckelum, Asperen, Leerdam, Vianen, IJsselstein, Montfoort, Oudewater en Woerden werden niet meegenomen in de linie, onder andere omdat het omliggende land te hoog lag om snel onder water gezet te kunnen worden.[3] Al in de laatste week van juni besloten de Staten van Holland om de waterlinie in gebruik te nemen.[4] Op 8 juni begonnen de onderwaterzettingen, of zoals ze ook genoemd worden: de inundaties. Eind juni stond bijna het hele gebied tussen Amsterdam, Muiden, Gorinchem en Dordrecht onder water. De belangrijkste forten langs de linie – Muiden, Bodegraven, Goejanverwelle, Schoonhoven en Gorinchem – werden versterkt en van voldoende artillerie voorzien.[5]

            Er bestond al enige ervaring met de waterlinie op papier. Er waren echter geen kaarten en verdedigingswerken gereedgemaakt.[6] Tijdens de Tachtigjarige Oorlog besloot de Staten-Generaal in 1629 om het water waar de Republiek normaal tegen vocht te omarmen als een bondgenoot en grootschalig in te zetten tegen de Spanjaarden. Deze waterlinie zou zich uitstrekken van Vreeswijk naar Muiden, van de Lek tot aan de Zuiderzee. Omdat de strijd op het land destijds echter zo gunstig verliep, werd de waterlinie nooit in gebruik genomen. Hoewel het idee voor een waterlinie dus al vorm had gekregen, was deze nog niet eerder getest op de schaal waarop men het nu van plan was. De zuidelijke helft van de linie bestond uit drie grote polders, die werden voorzien van water vanuit de Merwede, Hollandse IJssel, Lek en Oude Rijn. De noordelijke helft van de linie bestond uit twee polders en liet zich vullen door water uit de Vecht en de Amstel.[7]

De inundaties verliepen echter niet overal soepel. Het onderwater zetten van weilanden en akkers betekende voor veel van de plaatselijke bevolking dat hun middelen van bestaan verloren zouden gaan. Zij kwamen dus regelmatig in opstand tegen de inundaties en probeerden deze te stoppen of vertragen. Uit angst voor opstanden hielden ook lokale overheden de inundaties nogal eens tegen.[8] De dijken werden doorgestoken en sluizen werden geopend, maar overal kwamen gewapende boeren hiertegen in opstand.[9] Naast verbaal en fysiek verzet op veel verschillende plaatsen, verzetten sommigen zich ook nog op andere manieren. Water dat uit de Lek ingelaten werd, werd bijvoorbeeld in de Linge die uitliep op de lager liggende Merwede weer teruggegooid.[10] Daarnaast was het erg droog zomerweer en steeg het water dus maar langzaam.[11] Op sommige plaatsen moesten hierdoor grote dijkgravingen plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld bij de Zuiderzeedijk.[12] Op aandringen van de Franse generaal Condé zouden de Fransen het tempo van de aanval opvoeren, maar Condé werd tijdelijk uitgeschakeld door een kogel en generaal Turenne besloot een andere route te nemen, waardoor er nog net genoeg tijd was om de waterlinie gereed te maken.[13]

De waterlinie had niet alleen een impact op de economie en het dagelijks leven van de inwoners van de Republiek, maar ook op de sociaalgeografische verdeling van die inwoners. De waterlinie verdeelde de Republiek in een bezet en een vrij deel.[14] Eind juni hadden de vijf kommen zich gestaag gevuld en besloeg de aaneengesloten linie meer dan 50 kilometer.[15] Aan het einde van de eerste week van juli was het water in Rijnland 13 duim (een dikke 30 centimeter) diep en in Delfland kwam daar nog zo’n 30 centimeter bij. Vanaf het midden van juli kon niemand meer om de waterlinie heen.[16] In de nazomer en herfst van 1672 en winter die overging in 1673 werd de weerbaarheid van de linie door talloze acties van de Fransen steeds weer op de proef gesteld.[17] De winter van 1672 luidde een periode in van relatieve rust, waardoor de verdedigingswerken gerepareerd en verbeterd konden worden. Toch sloeg het noodlot aan het eind van december 1672 weer toe. Door de kou was een deel van de waterlinie bevroren, met name bij Bodegraven en Zwammerdam. Hierdoor konden de Fransen gemakkelijk oversteken. Op 27 december begon de hertog van Luxembourg aan een helse strooptocht langs de beide dorpen, die hij in een vlammenzee achterliet.[18] Door het lot van de twee dorpen was het vertrouwen in de waterlinie flink ingedamd.[19]

In het voorjaar van 1673 begon de situatie echter weer te verbeteren. Na de terugkeer van Willem III van zijn veldtocht in Charleroi had er een enorme militaire inspanning plaatsgevonden. Het Staatse leger had het klaargespeeld om de waterlinie verder uit te breiden naar de Franse kant. Ook de dijken en dammen waren beveiligd met troepen, materieel en allerhande fortificaties.[20] Na 1673 werden de grenzen van het inundatiegebied steeds verder naar de provincie Utrecht verlegd, maar die gebieden zouden nooit in praktijk gebracht worden tijdens een oorlogssituatie. De Oude Hollandse Waterlinie transformeerde zo geleidelijk van een Hollandse naar een Utrechtse linie tot zij in 1815 werd opgeheven en plaatsmaakte voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie.[21]

Groningen en Oost-Nederland

Op vele vlakken verliep het Rampjaar anders voor het noorden van het land dan voor de rest van de gewesten. Ook bestuurlijk was dit het geval. Een paar decennia eerder, na de dood van Willem II in 1650, begon in de meeste gewesten het eerste stadhouderloze tijdperk. De Staten van Holland besloten destijds dat het hebben van een stadhouder niet langer noodzakelijk was voor de besturing van het land. Zij wisten de andere staten van deze stelling te overtuigen. Anders dan de rest van de gewesten behielden Friesland, Groningen en Drenthe echter wel een graaf van Nassau als stadhouder.[22] Zij besloten Willem Frederik van Nassau-Dietz deze rol te laten vervullen. Er was een kleine uitzondering in de Groningse plaats Westerwolde aan de Duitse grens, waar Willem III in 1672 tot stadhouder werd benoemd. Willem III had tegen het einde van het Rampjaar in 1674 een sterke positie opgebouwd als stadhouder van de meeste gewesten. In de drie noordelijke gewesten was echter zijn verwant Hendrik Casimir II stadhouder – opvolger van Willem Frederik. Alleen in het Friese gewest was zijn titel erfelijk verklaard. Na het overleiden van Hendrik Casimir II in 1696 benoemde Drenthe niet zijn zoon Willem Friso, maar Willem III tot stadhouder.[23]

Portret van Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz
Portret van Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz Jan van Huchtenburg. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-C-1226

Toen een aanval van de Fransen begon te dreigen, werden de verdedigingslinies en legers in paraatheid gebracht. De hoofdmacht van het Nederlandse leger lag langs de IJssellinie. De linie liep via Zwolle, Deventer, Zutphen en Doesburg tot aan Arnhem. Hoewel er eerst verwacht werd dat de Fransen vanuit het zuiden via Maastricht het land zouden binnentrekken bleek vooral de oostkant van de Republiek het zwaar te voorduren te krijgen. De Fransen lieten Maastricht links liggen en trokken bij het Tolhuis in het plaatsje Lobith in Gelderland de Rijn over. De Fransen slaagden er zonder problemen in de Overbetuwe binnen te dringen. Nijmegen en Arnhem werden belegerd en overwonnen en van daaruit verspreidde et gigantische leger zich over de IJsselvallei.[24] In de stad Culemborg was het een komen en gaan van Franse regimenten. Het stadje, nog geen 640 huizen groot, herbergde gemiddeld zo’n dertig soldaten per huis. Het grafelijk kasteel werd verwoest en geplunderd en het archief leeggeroofd.[25] De Muünsterse bisschop Bernhard von Galen viel met grof geschut enkele Staatse vestingen in de Achterhoek aan. Zijn gebruik van enorme kanonnen en mortieren bezorgde hem dan ook al snel de bijnaam ‘Bommen Berend’. Samen met de Keulse legers wist hij ook Groenlo, Bredevoort, Borculo en Deventer gemakkelijk te veroveren.[26] Op 16 juni begon het beleg van Doesburg door de Fransen, dat op 21 juni capituleerde. Op 21 juli vielen ook Hattem, Elburg en Harderwijk in de handen van de bisschoppen van Munster en Keulen. Op 25 juni bezweek Zutphen voor de Fransen en Deventer voor de bisschoppen. Zwolle gaf zich over en Kampen volgde snel daarna.[27] Binnen enkele tientallen dagen waren de provincies Gelderland, Utrecht en Overijssel veroverd door de vijand. In Overijssel voelde men zich nauwer verbonden met de Munsterse buren dan met de Hollanders, wat een grote rol speelde in hun capitulatie.[28] Na het vertrek van de vijand moest Overijssel diep door het stof om weer als volwaardig gewest in de Republiek te mogen worden opgenomen. Zij moesten veel van hun zelfstandigheid inleveren.[29]

De troepen van de bisschoppen van Munster en Keulen trokken beide in de laatste week van juni 1672 gezamenlijk de Veluwe binnen. Hier veroverden ze dorp na dorp. Deze legers trokken vervolgens samen op naar Drenthe, Groningen en Friesland. Na eerst op 11 juli het Drentse Coevorden veroverd te hebben trokken zij door naar de provincie Groningen. Het Groningse Westerwolde (met uitzondering van Bourtange), delen van Oldambt en het Westerkwartier vallen al snel in vijandelijke handen.[30] Bij Bourtange stuitten de legers echter op een minder makkelijk te veroveren gebied. Na een paar dagen werd de belegering van Bourtange opgegeven.[31]  Op 20 juli kwamen de troepen aan bij de stad Groningen.[32] Al in het begin van de zeventiende eeuw hadden de Groningers stadwallen aangelegd en een brede gracht. Toen zij hoorden dat de vijand eraan kwam hadden zij bovendien het gebied rondom de stad onder water gezet.[33] Delen van de provincie langs de lijnen Groningen-Delfzijl (Damsterdiep) en Groningen-Zoutkamp (Reitdiep) werden geïnundeerd. Ook de vestingen en schansen aan de grens werden zo goed mogelijk in verdediging gebracht.[34] De belegering van de stad zette een maand voort, maar toen een maand later op 28 augustus het de vijandelijke legers nog niet gelukt was om de stad te veroveren – en toen zij bovendien geteisterd werden door ziektes in het regiment – besloten zij terug te keren naar Overijssel en van een belegering van Friesland af te zien.[35]

Het noorden van het land bleef dus ondanks enkele aanvallen vrij van de bezetters. Hiervandaan komt dan ook de bekende uitspraak: ‘Groningen constant, behout van ’t lant’.[36] Het zou nog een lange tijd duren voordat de legers van de Munsterse en Keulse bisschoppen en de Fransen het oosten van het land zouden verlaten, maar ook voor hen was de verlossing in 1674 eindelijk daar.

Beleg van Groningen door de bisschoppelijke troepen (augustus 1672)
Beleg van Groningen door de bisschoppelijke troepen (augustus 1672) Romeyn de Hooghe (aterlier van). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-77.111

Noord-Brabant

Nederland heeft niet altijd de provincies gehad zoals we die nu kennen. In de tijd dat we nog spraken van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was, op Noord-Limburg na, het grondgebied grotendeels hetzelfde, maar hadden de huidige provincies niet allemaal dezelfde naam, vorm of status. De huidige provincies Noord-Brabant, Limburg en een deel van Zeeland (Zeeuws-Vlaanderen) behoorden niet tot de gewesten die inspraak hadden in de Staten-Generaal en vormden samen de zogenaamde Generaliteitslanden. Deze gebieden werden aan het begin van de zeventiende eeuw tijdens de Tachtigjarige Oorlog veroverd op de Spanjaarden en werden sindsdien vanuit Den Haag door de Staten-Generaal van de Republiek bestuurd.[37] Tijdens het Rampjaar en de daaropvolgende oorlogen waren de Generaliteitslanden, en dus ook Noord-Brabant (toen nog Staats-Brabant genoemd) vaak de inzet en ook het toneel voor hevige strijd.

Toen de Franse koning Lodewijk XIV en Karel II van Engeland samen op 1 juni 1670 het geheime verdrag van Dover sloten – waarin zij besloten gezamenlijk de Republiek aan te vallen – waren zij al tot een voorlopige verdeling van het grondgebied van de Republiek gekomen. Lodewijk XIV had zijn oog op Brabant laten vallen.[38] Toen de Republiek in het nauw kwam en een groot deel van de bestuurders het tijd vond voor vredesonderhandelingen, moest ambassadeur Pieter de Groot zien te achterhalen met welke vredesvoorwaarden Lodewijk XIV in zee zou gaan. Toen hij op 27 juni op pad ging met een volmacht om Lodewijk Maastricht en een oorlogsvergoeding van zes miljoen gulden aan te bieden, kreeg hij te horen dat Franse koning zeker het dubbele geldbedrag wou zien. In plaats van Maastricht wilde Lodewijk bovendien de Generaliteitslanden waartoe ook Brabant behoorde. Daarnaast wilde hij ook alle gebieden die hij al had veroverd.[39] Bij het Verdrag van Heeswijk (17 juli, 1672) legden Lodewijk XIV en Karel II gezamenlijke vredesvoorwaarden voor. Opnieuw verscheen onder andere Brabant op het wensenlijstje van Lodewijk.[40]

In de winter van 1672-1673 werd er hard gewerkt om het Franse leger uit te breiden. Het doel was om het leger zodanig uit te breiden, dat het weer de 120.000 man zou bereiken waarmee Frankrijk aan de Hollandse Oorlog begonnen was. Er werd besloten deze legermacht in drieën te splitsen. Een deel, van zo’n 30.000 man, zou ingezet worden in Vlaanderen en Brabant en kwam onder het directe bevel van Lodewijk XIV zelf.[41] In 1674 deed Willem III een poging de vesting Grave,  die nog bezet werd door de Fransen, te bevrijden. De baron Carl Rabenhaupt, een succesvolle officier bekend van zijn succesvolle bescherming van Groningen, werd door Willem op de stad afgestuurd. Binnen de stadsmuren wachtten zo’n 4.000 Franse soldaten de aanval af. Rabenhaupt stuurde telkens opnieuw troepen op de stadmuren af. Het werd een verschrikkelijk bloedbad. Steeds meer militairen deserteerden of liepen zelfs over naar de Franse kant. De stad leek onneembaar. Na drie maanden schoot Willem III zelf te hulp, maar in zijn aanvallen verloor hij zelf maar liefst 1700 mannen. Binnen de stadmuren was de situatie dramatisch. Zelfs in ondergrondse schuilplaatsen waren de Gravenaren niet veilig voor de (brandende) kanonskogels. De belegering van de stad zette zich maanden voort en door de stad verspreidde zich honger en ziekte. De Franse markies Noël Bouton de Chamilly, die het opperbevel in de stad had, probeerde alle vrouwen en kinderen de stad uit te loodsen, maar Rabenhaupt weigerde hen de doorgang.[42] Op 27 oktober besluiten de Fransen zich op aandringen van Lodewijk XIV over te geven Zij verlaten de stad op 28 oktober. Tijdens de herovering van Grave verloren 15.000 à 16.000 Nederlandse en 1554 Franse soldaten het leven.[43]

Portret van Carl von Rabenhaupt, baron van Sucha (1602-1675)
Portret van Carl von Rabenhaupt, baron van Sucha (1602-1675) Anoniem. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-1422
Beleg van Grave (1674)
Beleg van Grave (1674) Coenraet Decker. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP- P-OB-82.434

De terugtocht van de Fransen uit de Republiek was een gigantische operatie die uitgevoerd werd door maarschalk Luxembourg. De stadhouder probeerde het leger nog een aantal keer aan te vallen, maar eind december werd deze missie opgegeven. Luxembourg kwam eind januari 1674 veilig in Charleroi aan. De ontruiming van de Fransen uit de Republiek was daarmee nog echter niet voltooid, er bevonden zich in Brabant en Gelderland nog altijd zo’n 20.000 Franse soldaten die pas tegen mei 1674 zouden vertrekken. Vlak na het vertrek van die laatste groep bracht augustus van 1674 een felle storm, die onder andere de Domtoren in Utrecht verwoest. Deze trok vanuit Frankrijk over Brussel en Antwerpen naar de Republiek en liet in Brabant een spoor van verwoesting na.[44] Na het noodweer van 1674 waren op tal van plekken de dijken doorgebroken, wat voor grote overstromingen had gezorgd. Onder de grote rivieren, vooral boven de Vlaamse grens, zwierven Franse benden rond die grote delen van het Brabantse platteland terroriseerden. Van sommige dorpen werd de helft van de mannelijke bevolking gegijzeld.[45]

Noodweer van 1674, in verband gebracht met de oorlog en binnenlandse onlusten
Noodweer van 1674, in verband gebracht met de oorlog en binnenlandse onlusten Romeyn de Hooghe. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-79.309A

Het Brabantse gebied – evenals de rest van het land – wilde natuurlijk een volgende inval voorkomen. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd er, om Holland te beschermen, een waterlinie aangelegd van Bergen op Zoom naar Steenbergen. Dit was de eerste linie in Nederland waarbij systematisch gebruik werd gemaakt van inundatie.[46] Waar de Hollandse Waterlinie voorafgaand aan het Rampjaar slechts bij een plan bleef, werd in Brabant al uitvoerig geoefend met het inunderen. Na de Franse aanval in 1672 schakelde de Staten-Generaal de belangrijkste vestingbouwer van het land in, de Fries Menno van Coehoorn. Hij ontwierp het concept van de Zuiderfrontier in 1697, een samenhangende reeks van verdedigingswerken die liep van Zeeuws-Vlaanderen tot aan Nijmegen. Het deel daarvan wat door het huidige Noord-Brabant liep noemen we de Zuiderwaterlinie. Deze linie was een aaneengesloten lijn van vestingen: Bergen op Zoom, Steenbergen, Willemstad, Klundert, Breda, Geertruidenberg, Heusden, ‘s- Hertogenbosch, Ravenstein en Grave. De tussenliggende gebieden konden bij vijandige dreiging onder water gezet worden. Toch lukte het de Fransen in 1747 uiteindelijk ook door deze linie heen te breken.[47]


[1] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren, diepe gronden, Stiltegebieden en de Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 10.

[2] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998, 45.

[3] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren, diepe gronden, Stiltegebieden en de Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 11.

[4] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 7 ‘Water en sleutels’, p. 8/27, bol.com kobo e-book.

[5] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998, 45.

[6] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren, diepe gronden, Stiltegebieden en de Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 10.

[7] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 7 ‘Water en sleutels’, p. 9/27, bol.com kobo e-book.

[8] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998, 45.

[9]Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 908.

[10] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren, diepe gronden, Stiltegebieden en de Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 11.

[11]Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 908.

[12] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren, diepe gronden, Stiltegebieden en de Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 11.

[13] Luc Panhuysen, “Waterlinie 1672: een redding op het nippertje,” Geschiedenis van Zuid-Holland, geraadpleegd op 13 juli 2021, https://geschiedenisvanzuidholland.nl/verhalen/verhalen/waterlinie-1672-een-redding-op-het-nippertje/.

[14] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 9 ‘Men zegt…’, p. 17/33, bol.com kobo e-book.

[15] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 7 ‘Water en sleutels’, p. 45/27, 25/27, bol.com kobo e-book.

[16] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 7 ‘Water en sleutels’, p. 25/27, bol.com kobo e-book.

[17] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren, diepe gronden, Stiltegebieden en de Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 14.

[18] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998, 75.

[19] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 11/19, bol.com kobo e-book.

[20] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 17 ‘Rond Zijne Hoogheid’, p. 7/24, bol.com kobo e-book.

[21] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren, diepe gronden, Stiltegebieden en de Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 9.

[22] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 19.

[23] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[24] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 42, 47.

[25] Mijn Gelderland, “Het Rampjaar: Franse troepen nemen bezit van de stad, 1672,” Geraadpleegd op 21 juli 2021, https://mijngelderland.nl/inhoud/routes/culemborg-stap-in-het-verleden/het-rampjaar.   

[26] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 42, 47.

[27] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 6 ‘Het verdrag’, p. 21/23, 22/23, bol.com kobo e-book.

[28] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 10, 47.

[29] Canon van Nederland, ““Beernke de koodief” De Munsterse oorlogen,” Canon van Overijssel, Geraadpleegd op 31 juli 2021, https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/overijssel/beernke-de-koodief.

[30] Henk Boels en Albert Buursma, “Groninger IJkpunt 20: Bommen Berend,” De verhalen van Groningen, Geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-ijkpunt-20-bommen-berend.

[31] Els Zwerver, “’Bommen Berend’ in 1672: Groningens Ontzet,” De verhalen van Groningen, Geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/bommen-berend-in-1672-groningens-ontzet.

[32] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 50.

[33] Els Zwerver, “’Bommen Berend’ in 1672: Groningens Ontzet,” De verhalen van Groningen, Geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/bommen-berend-in-1672-groningens-ontzet.

[34] Henk Boels en Albert Buursma, “Groninger IJkpunt 20: Bommen Berend,” De verhalen van Groningen, Geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-ijkpunt-20-bommen-berend.

[35] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 50.

[36] Els Zwerver, “’Bommen Berend’ in 1672: Groningens Ontzet,” De verhalen van Groningen, Geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/bommen-berend-in-1672-groningens-ontzet.

[37] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 15.

[38] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk ‘Inleiding’, p. 22/32, bol.com kobo e-book.

[39] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 7 ‘Water en sleutels’, p. 29/38, 30/38, 31/38, bol.com kobo e-book.

[40] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 8 ‘Tussen hoop en wanhoop’, p. 30/37, bol.com kobo e-book.

[41] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 14 ‘Het tweede oorlogsjaar’, p. 6/30, 7/30, 8/30, bol.com kobo e-book.

[42] Anne Verwaaij, “Het rampjaar in Grave,” Brabants Erfgoed, Gepubliceerd op 3 oktober 2019, Geraadpleegd op 13 juli 2021, https://www.brabantserfgoed.nl/page/10037/het-rampjaar-van-grave.

[43] J.A. Ph. Laguette, “Beleg en herovering van Grave in 1674,” Militaire Spectator 12, jaargang 143 (December 1974): 555.

[44] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 21 ‘De ontruiming’, p. 15/25, 17/25, 22/25, bol.com kobo e-book.

[45] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 7/32, bol.com kobo e-book.

[46] Zuiderwaterlinie Noord-Brabant, “Het verhaal van de Zuiderwaterlinie: verleden en toekomst,” Geraadpleegd op 13 juli 2021, video, 00:00-04:00.

[47] Brabants Erfgoed, “De Zuiderwaterlinie,” Gepubliceerd op 30 november 2017, Geraadpleegd op 13 juli 2021, https://www.brabantserfgoed.nl/page/4229/de-zuiderwaterlinie.

Veldslagen en zeeslagen

Beleg van Nijmegen (1672)

Maandenlang voor de inval had de IJssellinie in alle plannen gefungeerd als de barrière die de Republiek moest gaan beschermen. Dit plan viel echter in duigen toen de Fransen besloten niet via de IJssel maar via de Rijn het land binnen te vallen. Na de Franse doorbraak bij Lobith gaf Willem III het bevel het leger op te breken en terug te trekken. Het terugtrekken van het Staatse leger gebeurde echter zonder weloverwogen plan. Daarnaast was het leger schrikbarend gekrompen. De provincies Gelderland en Overijssel namen hun deel van het Staatse leger terug om de steden Kampen, Zwolle, Deventer en Zutphen te verdedigen. Dit kleine leger was echter bij lange na niet genoeg om deze steden tegen de vijand te beschermen.[1]

Fransen nemen Nijmegen in (1672)
Fransen nemen Nijmegen in (1672). Caspar Luyken. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-1896-A-19368-1547

            De opmars van de Fransen behield echter niet de snelheid die het aan het begin had en begon na drie weken aanzienlijk af te zwakken. De opmars van Lodewijk werd onder andere vertraagd door bepaalde verplichtingen die hij had met aanzien tot rang en etiquette. Voordat Lodewijk bijvoorbeeld Doesburg kon aanvallen, moest eerst zijn broer Philippe Zutphen hebben aangevallen. Ook waren er wat onenigheden over de gebieden die de Franse bondgenoot, de Munsterse Bernhard von Galen mocht innemen. Toen de Fransen eenmaal optrokken naar Arnhem en Nijmegen waren de Prins van Oranje en zijn leger al op de hoogte.[2] 

            De Franse veldheer Turenne begon, na zijn inname van fort Knodsenburg, al snel met de beschieting van Nijmegen.[3]  Op 2 juli 1672 trok het Franse leger via een schipbrug bij Gendt de Waal over, omsingelde de stad en begon met de belegering.[4] De stad kreeg het zwaar te verduren. In een week tijd werd de stad met bijna 300 mortierbommen en meer dan 7.000 kanonskogels beschoten. Tijdens het beleg van de stad sneuvelde de kolonel Otto van Gent, neef van de Nederlandse zeeheld Willem Joseph van Ghent, die op zijn beurt weer was gesneuveld tijdens de slag bij Solebay van een paar weken eerder.[5] De stad zou zich erg dapper verdedigd hebben, maar toch hield Nijmegen het niet lang vol. Hoewel de stad zich kranig weerde, moest zij op 9 juli 1672 capituleren.[6] Na de capitulatie werd de stad door de Fransen bezet. De gezagdragers wisten met te Fransen te onderhandelen over – onder andere – religieuze vrijheid. Zo werd het protestantisme bijvoorbeeld gedoogd. Wel was de religieuze ‘voertaal’ voortaan de katholieke en zo werden de diensten in de Stevenskerk dan voortaan ook gevoerd.[7] Nijmegen onderging eenzelfde regime van uitpersing als Utrecht.[8]

            Nijmegen werd geplunderd en in brand gestoken. Bronzen kerkklokken en andere metalen voorwerpen werden door de Fransen gesmolten. Als dwangmiddel om deze vreselijke gebeurtenissen te laten stoppen, eisten de Franse bezetter grote sommen met geld. Openbare gebouwen zoals de Latijnse school en de Waag werden gevorderd. Na een half jaar begon de bezetter ook hoge belastingen en andere dwangsommen aan de bevolking op te leggen. Op 17 oktober 1673 wisten de Republiek en haar bondgenoten Bonn te veroveren, waarop de Fransen zich terugtrokken uit Utrecht en Gelre. Nadat de Franse bondgenoot Engeland een vredesverdrag tekende met de Republiek zag Lodewijk XIV het somber in en besloot hij met zijn leger op 20 april 1674, na bijna twee jaar bezetting, ook Nijmegen te verlaten. Later, in 1676, zou Nijmegen – omdat het centraal gelegen was en grensde aan neutraal gebied – het toneel worden voor de vredesonderhandelingen die een einde zouden maken aan de Hollandse Oorlog (1672-1678).[9]

Het leger van Willem III veroverde in 1673 diverse steden in het Duitse rijk
Het leger van Willem III veroverde in 1673 diverse steden in het Duitse rijk Romeyn de Hooghe (toegeschreven aan). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-79.420

Groningen en Coevorden: beleg en ontzet  (1672)

In de laatste week van juni rukten de legers van de bisschoppen van Keulen en Munster op naar het noorden. Met een leger van zo’n 14.000 man waren zij van plan Groningen en Friesland in te nemen.[10] Grote delen van de provincie Groningen hadden al eerder tot het grondgebied van de Munsterse bisschop behoord. Met de belegering hoopte hij dit grondgebied in zijn voordeel te herstellen, evenals de protestante Groningers tot het katholicisme te bekeren.[11] Wanneer het het Duitse leger zou lukken deze gebieden in te nemen, betekende dit dat ook het noordoosten van de Republiek aan de vijand verloren zou zijn. Eerst werd Coevorden veroverd. Een krant vermeldde dat in Coevorden slechts één vrouw het leven had gelaten tijdens de belegering, enkel omdat zij ‘uit nieuwsgierigheid haar hoofd boven de wal had laten steken’.[12] Dat Coevorden zo makkelijk veroverd werd zorgde ervoor dat het gerucht de ronde ging dat het door verraad verloren was gegaan. Coevorden was namelijk omgeven door moeras. Het volk kreeg hierdoor het idee dat de snelle en eenvoudige verovering wel het gevolg van een complot moest zijn geweest.[13]

Bestorming van Coevorden door Rabenhaupt, 30 december 1672.
Bestorming van Coevorden door Rabenhaupt, 30 december 1672. Pieter Wouwerman. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-486

Nadat de verovering van Coevorden zo eenvoudig was verlopen, trok het Munsterse leger vol goede moed door.[14] Groningen en Friesland hadden echter iets langer de tijd gehad om hun verdedigingsposten in paraatheid te brengen voor de komst van de bisschop en zijn leger.[15] Al aan het begin van de zeventiende eeuw had men stadswallen en een brede gracht aangelegd.[16] Op 20 juli arriveerden de Duitse troepen bij de stad Groningen, toen daar net op tijd de onderwaterzetting (inundatie) rondom de stad gereed was gemaakt. Door deze inundatie kon de vijand de stad maar vanaf één kant van dichtbij genoeg naderen om de stad te kunnen beschieten. De stad wist zich goed te weren, er moest slechts een klein deel van de stad ontruimd worden dat werd getroffen door de kanonnen en belegeraar.[17] Dit zuidelijke gedeelte van de stad raakt echter wel zwaar beschadigd. De burgers die hier woonden vluchten naar het noorden en vinden daar veiligheid.[18]

Deze succesvolle weerstand kwam onder meer tot stand door de goede leiding van de van origine Boheemse bevelhebber Carl Rabenhaupt, die met uitvallen de Munsterse en Keulse troepen steeds meer in het nauw wist te brengen.[19] Rabenhaupt, baron van Sucha, ging net als veel standgenoten al jong aan de slag bij het leger van de Republiek.[20] Inmiddels was hij al zeventig jaar en dus een zeer ervaren militair professional. Naast de inundaties had hij ook twintig zware kanonnen gereed laten maken en was er in de stad een grote hoeveelheid voedsel en munitie aanwezig. Uit voorzorg had hij de bruggen aan de zuidkant van de stad laten afbreken. Op 27 juli begint de Munsterse bisschop Von Galen (beter bekend als Bommen Berend) met het beschieten van de stad met zijn wapen van keus: kanonnen. Bijna een maand lang wordt de stad getroffen door alles waar de kanonnen maar mee konden schieten.[21] Overal in het land wordt het beleg van Groningen gevolgd.[22] Op 25 augustus neemt het vuren af. Bommen Berends troepen zijn gereduceerd, verzwakt en tot overmaat van ramp breken er ziektes uit in zijn kamp. Op 28 augustus gaven de aanvallers het op, zij zagen af van de belegering van Friesland en trokken zich terug naar Overijssel.[23]

            Deze glorieuze overwinning werd door de Groningers uitbundig gevierd. Er wordt verteld dat nog geen honderd burgers het leven hadden verloren tijdens de belegering, terwijl de aanvallende troepen tot een derde van de oorspronkelijke grote waren gereduceerd.[24] Volgens sommige Nederlandse bronnen verloren zij zo’n vijf- tot tienduizend man.[25] Onder leiding van Rabenhaupt worden ook de rest van de door de bisschop van Munster bezette gebieden heroverd.[26] Terwijl elders in het land enkel gebied verloren ging had Rabenhaupt eind december onder andere Coevorden weer in handen.[27]

Slag om Woerden (1672)

Na de inval van de Fransen gingen vele geruchten de ronde die alom verwarring zaaiden. Op 13 juni kwamen de eerste vluchtelingen vanuit Utrecht naar Woerden. Op 15 juni hoorde men dat arbeiders bij Nieuwerbrug bezig waren de Rijn af te dammen. Voor de Woerdenaren betekende dit twee dingen: dat zjj niet verdedigd zouden worden en dat het omliggende land onder water zou komen te staan. Al bijna honderd jaar was er geen dreiging van vijanden geweest in Woerden, waardoor de vestingwerken waren verwaarloosd en er bovendien onvoldoende bewapening was. Op vrijdag 24 juni verscheen de Markies van Rochefort met enkele honderden ruiters voor Woerden. Hoewel de bezetting een zware last was en er enkele incidenten plaatsvonden, bleef het normale stadleven toch wel zijn gang gaan. Op 11 juli verlieten de Franse troepen Woerden om onverklaarbare reden, maar op 18 september keerden ze terug, dit keer met de veldmaarschalk Luxembourg aan het hoofd.[28]

Om Woerden weer te heroveren op de Fransen, was het zaak om de vijand aan te vallen op een plek waar zij het niet verwachtten. Commandant Johan Maurits van Nassau-Siegen zou, vanuit Muiden, het doen lijken alsof zij Naarden probeerden terug te winnen. Deze plek was na de laatste Franse troepenreducties namelijk onderbezet geraakt. Gezien Luxembourg erg bang was voor een aanval op Naarden, liet hij zich gemakkelijk weglokken, waardoor het Staatse leger zijn eigenlijke plan kon uitvoeren.[29]

Portret van Johan Maurits van Nassau-Siegen
Portret van Johan Maurits van Nassau-Siegen. Anoniem. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-2967

Deze slag om Woerden staat ook bekend als de Slag bij Kruipin, genoemd naar het fort een paar honderd meter ten noorden van Woerden.[30] Willem III verzamelde voor zijn bliksemaanval 6.500 à 7.000 man.[31] Op 11 oktober werd Woerden omsingeld met een paar duizend man en twaalf kanonnen. Prins Willem leidde zo’n 4.000 soldaten door de voorstad naar de stad toe. De graaf van Hoorne viel met zo’n 1.600 soldaten aan vanuit Goejanverwellesluis. De generaal van de infanterie Frederik van Nassau-Zuylenstein deed hetzelfde op de belangrijkste toegangsweg, de Rijndijk. Nassau-Zuylenstein moest het doen met slechts twee kanonnen en zo’n 1.500 soldaten. Daarom zette hij zijn soldaten aan het werk om – met enige haast – schansen te graven waarmee de vijand zo lang mogelijk afgehouden moest worden.[32] De Fransen werden verwacht aan zijn kant van de stad aan te komen en het gevecht te beginnen.[33] Toen Luxembourg zich bewust werd van de bestorming door het Staatse leger op het door de Fransen bezette Woerden, verzamelde hij 6.000 soldaten en trok hij, dwars door geïnundeerd gebied, naar de stad voor het gevecht.[34]

Gravure van Willem Adriaan, graaf van Hoorne (1633-1694)
Gravure van Willem Adriaan, graaf van Hoorne (1633-1694) Christiaan Hagen. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-55.61

In de nacht van 11 op 12 oktober probeerde Luxembourg de troepen van Nassau-Zuylenstein te bestormen, maar die weerden de aanval af.[35] Na deze mislukte aanval van de Fransen liet Luxembourg een van zijn generaals een verkenning uitvoeren in het gebied. Hij kwam terug met een route. De Fransen speelden het klaar om in het holst van de nacht in de rug van Nassau-Zuylenstein en zijn soldaten op te duiken.[36] Hierna volgde een zeer bloedig gevecht. Luitenant-generaal Antoine Manassès, markies van Feuquières en een van Luxembourgs onderbevelhebbers, schreef in zijn memoires dat het gevecht bij Woerden het hardste was dat hij ooit gezien had.[37] De herovering van Woerden mislukte jammerlijk. Aan de westkant van de stad moesten de prins van Oranje en Graaf van Hoorne zich terugtrekken naar Bodegraven. In de slag om Woerden sneuvelden zo’n 600 Nederlanders en 2.000 Fransen. Nassau-Zuylenstein had de slag ook niet overleefd.[38]

Afbeelding van de slag bij Kruipin (11/12 oktober 1672)
Afbeelding van de slag bij Kruipin (11/12 oktober 1672) Collectie RHC Rijnstreek en Lopikerwaard

Willems poging om Woerden te heroveren op de Fransen was uitgelopen op een bloedbad, zonder dat zij daarbij Woerden wisten te heroveren.[39] Maar voor het eerst had het Staatse leger in een directe confrontatie grote verliezen aan het Franse leger toegebracht; hierdoor steeg het zelfvertrouwen bij de Republiek. Maar er was ook een keerzijde.  De Brandenburgse keurvorst Frederik Willem zag het verlies van Woerden als gestuntel en raakte onder andere hierdoor vertwijfeld over een eventuele samenwerking met de Republiek.[40] Toch besloot de keurvorst uiteindelijk samen met anderen de krachten met de Republiek te bundelen tegen Frankrijk en zijn bondgenoten.[41]Uiteindelijk verlieten de Fransen Woerden op 7 oktober 1673, zij lieten de stad zwaargehavend achter.[42]

Portret van Frederik Willem van Brandenburg (1620-1688) en zijn vrouw Louisa Henriette, gravin van Nassau (1627-1667)
Portret van Frederik Willem van Brandenburg (1620-1688) en zijn vrouw Louisa Henriette, gravin van Nassau (1627-1667) Gerard van Honthorts. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-873

De Tocht van Luxembourg (1672)

Aan het einde van 1672 voltrok zich wederom een ramp voor de Republiek.[43] Eind december begon het te vriezen en kon Luxembourg voorbereidingen treffen voor een winteroffensief om Holland in te nemen.[44] Toen de vrieskou inzette, begonnen bij Bodegraven en Zwammerdam de ondergelopen polders van de waterlinie te bevriezen. Hierdoor kwamen Luxembourg met zijn troepen in de gelegenheid om de linie over te steken.[45] De Fransen hoopten met deze oversteek Leiden te kunnen bereiken. Als dit plan zou slagen, dan lag Den Haag – het hart van de Republiek – voor het grijpen.[46]

De prins van Oranje had voor zijn veldtocht naar Charleroi zo’n 23.000 man van het Staatse leger meegenomen. De waterlinie liet hij uiteraard niet geheel aan zijn lot over, maar het ging wel om een wijdverspreide kleine bezetting die achterbleef.[47] Willem III had de graaf van Köningsmarck met duidelijke orders achtergelaten: wanneer het begon te vriezen en de Fransen wegens het bevroren water de linie zouden kunnen oversteken, zou Köningsmarck met zijn leven het gebied achter de linie moeten verdedigen. In de loop van september had Luxembourg een aanzienlijke hoeveelheid soldaten verzameld en werd Köningsmarck zich steeds meer bewust van de tekortkomingen van zijn eigen regiment. Als hij zich te laat zou terugtrekken, zou zijn regiment volledig verloren gaan.[48] Luxembourg besloot zijn tocht noordelijk te starten, om Woerden heen en daarna zou hij via Alphen naar Leiden trekken.[49]

Op 27 december was het moment daar. Toen de Domtoren twaalf uur s’ middags sloeg vertrok Luxembourg met zijn leger van zo’n 8.000 soldaten te voet en 900 te paard uit Utrecht. Doordat het sneeuwde was het voor Luxembourg niet goed zichtbaar geweest hoe slecht het ijs was geworden.[50] Het ijs was gaan dooien en daarnaast was er hevige regen. Het ijs bleek niet dik en sterk genoeg om de paarden en kanonnen te kunnen dragen.[51] Overal ontstonden scheuren en barsten. Luxembourg wist met zijn troepen nog net de overzijde te bereiken, maar door deze situatie was hij met zijn manschappen min of meer in de val geraakt.[52] Een groot deel van het Franse voetvolk moest dus rechtsomkeert maken naar Woerden. Met zo’n 3000 soldaten wist Luxembourg alsnog Bodegraven en Zwammerdam te bereiken.[53]

De enige mogelijke terugweg voor de Fransen was over de Rijndijk via Zwammerdam, richting Bodegraven en dan door naar Nieuwerbrug. Zij verwachtten een bloedig gevecht bij Zwammerdam, maar tot hun grote verbazing was het dorp onverdedigd en was het volledig overgeleverd aan de grillen van de Fransen. De dorpelingen werden afgemaakt en het dorp werd in lichterlaaie gezet. Hierna trok Luxembourg met zijn regiment door naar Bodegraven. Ook dat dorp verdoemde hij tot een vlammenzee.[54]

Wreedheden in Bodegraven/Zwammerdam
Wreedheden in Bodegraven/Zwammerdam Romeyn de Hooghe. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-77.198

Daarna trokken zij verder naar Nieuwerbrug. Deze schans werd bemand met zo’n 700 à 800 Nederlandse soldaten. Deze schans stond onder de hoede van de Nederlandse kolonel Moise Pain et Vin. Toen hij de Fransen in de verte op zag doemen raakte hij in paniek. Op 30 december verliet hij de schans.[55] Ondertussen had Köningsmarck zich teruggetrokken naar Leiden, waar hij niet werd binnengelaten en werd teruggestuurd naar zijn vorige post in de Goudse Sluis.[56] Omdat de verdediging het zo had verzaakt kon Luxembourg een veilige oversteek maken en zich met zijn manschappen terugtrekken naar Woerden.[57] Op 30 december was Luxembourg teruggekeerd in Utrecht. Hij was tijdens deze tocht nog geen 50 man verloren, terwijl Zwammerdam en Bodegraven smeulden in de verte.[58] Pain et Vin moest zijn angst met de dood bekopen, op 23 januari 1673 werd hij op orders van de prins van Oranje onthoofd.[59] 

De Berenning van Naarden (1673)

Naarden was van belang als grenspost van Holland, omdat deze vestingstad een gunstige ligging aan de Zuiderzee had. Deze ligging betekende tevens dat de stad zich had kunnen ontwikkelen tot een echte haven- en nijverheidsstad. Na het tekenen van de Vrede van Westfalen in 1648 – die in de Republiek het einde van de Tachtigjarige Oorlog inluidde – werd Naarden, net als Woerden, als vesting verwaarloosd.[60] Er was dan ook geen verbazing toen de vesting met gemak door de Fransen kon worden ingenomen. Op 20 juni 1672, nog voor Utrecht werd ingenomen, maakten de Fransen zich meester van Naarden.[61]

Om Naarden weer terug te veroveren op de Fransen moest er door het Staatse leger een afleidingsmanoeuvre in gang gezet worden. Veldmaarschalk Godard van Reede deed op 29 augustus 1673 met 1500 ruiters een imitatie-aanval op de vesting Grave, gelegen in het huidige Noord-Brabant. Terwijl Godard zich bezighield met deze imitatie-aanval, kon de prins van Oranje zich bezighouden met waar het echt om te doen was: een aanval op Naarden, om deze vesting terug te veroveren op de Fransen. Via de waterlinie vervoerde Oranje zo’n 6000 voetsoldaten naar de vestingstad, waarna de rest van het leger volgde over dijken, bruggen en wegen.[62]

Portret van Godard van Reede – Ginkel
Portret van Godard van Reede – Ginkel Adriaen van der Werff. Collecties Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-3935

Nadat Godard en zijn regiment een paar dagen de schijn hadden opgehouden bij Grave trokken ook zij noordwaarts via Werkendam en Alphen naar Ouderkerk. Vanaf die laatste plaats werden de mannen en paarden verder getransporteerd. Deze imitatie-aanval en grote afleidingsmanoeuvre heeft het Staatse leger bijna een week gekost, maar heeft uiteindelijk goed zijn werk gedaan. Luxembourg, die normaal gesproken direct opgetrokken zou zijn naar Naarden, was met forse versterkingen richting Tiel gegaan om Grave bij te staan. Toen hij daar aankwam trof hij echter geen Hollands leger aan en kwam het gigantische Staatse leger van 25000 man bij de muren van Naarden aan.[63] Tegen 11 september had Luxembourg rechtsomkeert kunnen maken en was hij weer terug in Utrecht. Commandant Dupas, die de beheersing had over de verdediging van Naarden, had op de hoogste kerktoren het noodvuur ontstoken. Dit werd telkens door Nederlandse kanonniers gedoofd, maar de Fransen hielden vol en ontstoken het noodvuur telkens opnieuw. Het duurde niet lang voor Luxembourg zich bewust werd van wat zich in Naarden afspeelde.[64]

Herovering van Naarden, geleid door Willem III (6-13 november 1673)
Herovering van Naarden, geleid door Willem III (6-13 november 1673). Romeyn de Hooghe. Collectie Atlas van der Hagen. Via Wikimedia Commons

Als Luxembourg zou aanvallen was het Staatse leger verloren. Er was dus geen tijd meer voor een geduldige belegering van de stad; het was tijd voor een stormloop, ofwel een berenning. Het water rond de stad was echter te diep om te doorwaden. Met zelfgemaakte ‘facijnen’ (matten die geweven waren van takkenbossen) moest het leger de gracht dempen om over te kunnen steken. Op de avond van 11 september trokken de Nederlandse en Spaanse troepen over de facijnen richting de stad. Er vielen mannen in het water, maar de stormloop zette door. De Staatse troepen wonnen terrein en de Fransen hadden geen tijd meer om hun wapens te herladen of zich te verdedigen. Zij sprongen in de gracht of werden neergehaald. De volgende dag moesten de Fransen zich gewonnen geven. Dupas gaf aan over te willen gaan op het bespreken van de voorwaarden voor een overgave. Op de ochtend van 13 september 1673 trok het Staatse leger Naarden binnen en was het weer in handen van de Republiek.[65] Niet lang na de triomf ontruimde de Franse vijand ook andere bezette steden in de Republiek en trokken zij weg naar het zuiden. De Berenning van Naarden wordt dan ook vaak gezien als een keerpunt in het Rampjaar. Een moment waarop het grootste gevaar geweken leek te zijn.[66] Na dit keerpunt werden de verwaarloosde vestingwerken van Naarden in opdracht van Willem III, grotendeels volgens het systeem van Menno van Coehoorn, gemoderniseerd. Deze modernisering werd in 1685 voltooid.[67]

Portret van Menno van Coehoorn (1641-1704)
Portret van Menno van Coehoorn (1641-1704) Caspar Netscher (naar). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-1152

De verovering van Maastricht (1673)

Maastricht was vanaf het begin van de oorlogsdreiging de plek waarvan de bestuurders van de Republiek dachten dat de eerste klappen van de vijand zouden vallen.[68] Maastricht was een van de sterkste vestingen van de Republiek en dekte bovendien de Maas af. Deze vesting zou, met zes andere forten in Kleef, gebruikt worden als een stootkussen, een eerste kreukelzone waar Holland mee beschermd kon worden.[69] Het zou de aanvaller weken kosten om Maastricht te veroveren.[70] Lodewijk XIV voerde echter op advies van zijn veldmaarschalk Turenne een ander plan uit. Hij liet eind mei bij Maastricht slechts een korps van zo’n 10.000 man achter om de stad in de gaten te houden en viel vervolgens op 12 juni de Republiek binnen vanaf het oosten.[71]

Men bleef Maastricht zien als de sterkste vesting van de Republiek. Iedereen was verbaasd toen Lodewijk in de zomer van 1672 aan de vesting voorbij was gegaan. Het feit dat de stad door 3.000 soldaten werd verdedigd werd voldoende geacht om de Fransen af te slaan.[72] Er was echter voor de Fransen een groot belang om de stad toch te belegeren. Willem III had vanuit Maastricht een poging gedaan de Franse magazijnstad Charleroi te veroveren. Dit moest in de toekomst voorkomen worden. Ook zou de stad de Fransen een veilige aanvoerroute over de Maas geven. Op internationaal front zou een verovering van Maastricht de Roomse keizer beletten via het noorden Frankrijk in te trekken en ten slotte zou de verovering van deze belangrijke vesting een grote mentale winst zijn voor de Fransen en een flinke mentale dreun voor de Republiek.[73]

Lodewijk XIV arriveert met zijn leger voor Maastricht (1673)
Lodewijk XIV arriveert met zijn leger voor Maastricht (1673) Adam Frans van der Meulen. Collectie Musée de Louvre, Parijs. Viaia Wikimedia Commons

Op 5 juni 1673 verscheen de voorhoede van het Frans leger voor de poorten van Maastricht.[74] Na het afweren door de Republiek van de vijand op zee bij de tweede Slag bij Schooneveld op 14 juni was er grote vreugde onder het volk, maar in de derde week van juni had dit plaatsgemaakt voor grote zorgen over het beleg van Maastricht.[75] Om Maastricht te verdedigen werd de Fries Menno Coehoorn als kapitein aangesteld. Hij was militair strateeg, belegeraar en infanterist en zou later grote bekendheid verwerven als vestingbouwer en waterbouwkundig ingenieur als de bedenker van het Zuiderfrontier, waarvan de Zuiderwaterlinie in het huidige Noord-Brabant deel uitmaakte. Ook hielp hij Carl Rabenhaupt een jaar later bij de herovering van Grave.[76]

Lodewijk XIV had een specialistische belegeraar aangesteld voor de belegering van Maastricht: Sebastian le Prestre de Vauban. De eerste stap van zijn plan was het artillerievuur. In de tweede fase van zijn plan werden de loopgraven geopend en wisten de Fransen ongehavend de omwalling van de stad te bereiken. Franse mineurs hielden zich bezig met het graven van ondergrondse gangen, zodat zij met springstof de stadsmuren konden opblazen. In de stad was het ondertussen duidelijk geworden dat het gevaar nu wel erg dichtbij kwam. Men was in de stad begonnen met het graven van gangen om te proberen de springstofaanval van de Fransen tegen te houden. Het beleg duurde het grootste deel van de maand juni. De Maastrichtenaren schijnen zich goed verzet te hebben.[77]

Portret van Sebastien le Prestre de Vauban (1633-1707)
Portret van Sebastien le Prestre de Vauban (1633-1707) Charles-Philippe Larivière. Collectie Préfecture de Lille

Op 30 juni capituleerde Maastricht.[78] Lodewijk probeerde met deze verovering een grote eer voor zichzelf te behalen. Hij had zijn belangrijkste generaals Condé en Turenne verboden zich in de buurt van Maastricht te vertonen. Na de verovering liet hij in Parijs een triomfboog oprichten ter ere van zijn overwinning. Hierop was – en is nog steeds – in het latijn te lezen dat hij Maastricht in dertien dagen had weten te veroveren.[79] Met de verovering van Maastricht had Lodewijk de controle over de Maas weten de verkrijgen.[80] Zo’n 1700 Nederlandse soldaten en het dubbele aantal Franse hadden bij het beleg het leven gelaten. Het rampscenario dat de regenten aan de start van het Rampjaar voor ogen hadden, maar dat hen destijds bespaard was gebleven, had nu toch plaatsgevonden. De Republiek was haar sterkste vesting kwijt.[81] Lodewijk kon de winst van Maastricht als een troef gebruiken in de vredesonderhandelingen van 1673. Als hij deze vesting kon grijpen, kon hij zeker wel wat flinke eisen stellen.[82] Maastricht zou pas worden bevrijd van de Fransen toen zij in 1674 de Republiek verlieten.

Zeeslagen in het Rampjaar

Slag bij Solebay (1672)

De Engelsen hadden in maart 1672 in Het Kanaal, geheel onverwachts, de Nederlandse Smyrnavloot aangevallen. Op 4 april verklaarden zij de oorlog aan de Republiek, de Fransen, Keulen en Münster volgden twee dagen later. De gebroeders de Witt wisten dat een snelle inzet van de vloot essentieel was. Voor Johan de Witt was de aanwezigheid van zijn broer Cornelis op de vloot van onmisbaar belang. Cornelis vertrok dan ook in de eerste week van mei.[83] Karel II van Engeland en Lodewijk XIV van Frankrijk spanden samen en hadden als plan de Nederlandse vloot veel schade toe te brengen, zodat de weg vrij kon worden gemaakt voor een Engels-Franse landing op de kust van de Republiek.

Aan het begin van het Rampjaar had de Republiek wel een goed georganiseerde zeemacht, maar verliep het moeizaam met subsidies, waardoor de befaamde Michiel de Ruyter slechts de helft van het totaal beschikbare aantal oorlogsschepen in gebruik kon nemen.[84] Eind mei had De Ruyter ongeveer vijfenzeventig oorlogsschepen voor de Zeeuwse kust bijeengebracht. De Engelse vloot (onder leiding van Jacobus van York, de broer van de Engelse koning) en de Franse vloot (onder leiding van viceadmiraal Jean d’Estrées) telde ongeveer negentig linieschepen en fregatten bewapend met in totaal zo’n 6100 à 6200 stukken. De Engels-Franse bemanning bestond uit 40.000 matrozen en soldaten, het dubbele aantal van wat de Republiek tot zijn beschikking had.[85]

Doordat de Republiek qua schepen in de minderheid was, zou het voor de Republiek gunstig zijn de vijand op volle zee op te zoeken, en dat deed De Ruyter dan ook, op 7 juni 1672.[86] Door de Engels-Franse vloot het initiatief te ontnemen wist De Ruyter de situatie te redden. Met goedkeuring van Cornelis de Witt zocht De Ruyter de Engelse en Franse eskaders op in hun ankerplaats, het Engelse Solebay, waar de Fransen op 7 juni de eerste klap van de Nederlanders te verduren kregen. De Fransen verlieten het gevecht kort daarna, terwijl de Engelse en Nederlandse schepen verstrengeld bleven in een artillerieduel.[87] Deze onverwachte wending voor de vijand werkte in het voordeel van De Ruyter. Hoewel geen van beide partijen uiteindelijk de slag bij Solebay won, was het een grote morele overwinning voor De Ruyter. Het gevaar van een Frans-Engelse landing in de Republiek vanaf zee was hiermee– in ieder geval voor nu – geweken.[88] De slag bij Solebay zou daarmee een van de meest gedenkwaardige slagen in de zeeoorlogen met Engeland worden.[89]

Hoewel dit een positieve uitkomst was, waren de gemoederen in de Republiek er niet veel beter op geworden. De vloot van De Ruyter bleef na de slag nog enige tijd op de Noordzee. Cornelis de Witt was voor De Ruyter aan boord een goede steun en toeverlaat en had dapper gediend op het schip.[90] Ondanks zijn jicht had hij deelgenomen aan het gevecht. Hij had een leunstoel op het campagnedek van De Ruyters vlaggenschip laten zetten en had daar onbevreesd tussen de rondvliegende kanonskogels orders gegeven. Zijn heldhaftigheid had de pamfletten in de Republiek wel bereikt, maar dit had bij de prinsgezinden slechts tot ergernis geleid.[91] Wegens ziekte was Cornelis de Witt eerder van boord gegaan, waardoor er langzaam maar zeker steeds meer kwade geruchten over hem de ronde gingen. Deze geruchten stelden dat hij een aanval op de Fransen verhinderd zou hebben, dat hij zich op het schip angstig en laf verscholen zou hebben en dat hij zelfs in een ruzie met De Ruyter zou zijn verwond. Hoewel De Ruyter al deze geruchten ontkrachtte, leek hiermee het lot van Cornelis toch bezegeld.[92] Deze lastercampagne – aangewakkerd en versterkt door pamfletten – zou uiteindelijk zowel Cornelis als zijn broer Johan de Witt het leven kosten. 

 

Slag bij Schooneveld I en II (1673)

In juni van 1673 werden bij Schooneveld twee enorme zeeslagen geleverd.[93] Evenals bij Solebay waren er scheve krachtsverhoudingen tussen de vloot van de Republiek en de vloot van de vijand. Om ervoor te zorgen dat de tekorten van zijn vloot werden gecompenseerd, besloot De Ruyter met de vloot vlak voor Schooneveld op de kust van Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen te gaan liggen.[94] Het wateroppervlak voor deze kust lag vol richels en zandbanken.[95] Omdat de Engelsen en Fransen niet precies wisten waar de zandbanken, richels of vaargeulen lagen, konden zij in dit gebied alleen met grote risico’s opereren. Dit werkte dus grandioos in het voordeel van de De Ruyter en zijn vloot.[96] Het water voor Schooneveld werd door de vijand dan ook wel ‘het hol van Schooneveld’ genoemd.[97] Voor de Nederlanders was het echter de ideale observatiepost, uitvalsbasis en een natuurlijke vluchthaven.[98]

Op 12 mei had De Ruyter nog maar 48 zeilen onder zich. Op 22 mei was daar nog maar weinig aan veranderd. Veel schepen die te hulp hadden moeten schieten vanuit Amsterdam waren door laag water bij Pampus vast komen te liggen. Pas op 5 juni kreeg De Ruyter de versterking die hij nodig had van Cornelis Tromp, wat het totaal aantal schepen op 70 bracht.[99] Tromp was samen met luitenant-admiraal Adriaen Banckert onderbevelhebber van De Ruyter. Op 7 juni, precies een jaar nadat de Slag bij Solebay had plaatsgevonden, troffen de Engelse en Franse gecombineerde vloot, respectievelijk onder leiding van Ruprecht van de Palts – een neef van Karel II – en d’Estrées, de vloot van De Ruyter.[100] In de middag raakte het eskader van Cornelis Tromp gescheiden van de hoofdmacht. Tromp voerde een verwoede strijd tegen een overmacht van vijandelijke schepen. Uiteindelijk kwamen de schepen van Tromp en De Ruyter weer bijeen.[101]

Portret van Cornelis Tromp
Portret van Cornelis Tromp Jan Mijtens. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-284
Portret van Adriaan Banckert
Portret van Adriaan Banckert Hendrick Berckman. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-1644

De eerste Slag bij Schooneveld bleef, net als bij Solebay, onbeslist.[102] Toch zou deze eerste Slag bij Schooneveld herinnerd worden als een succes.[103] De Ruyter en zijn vloot hadden voordeel van de wind en wisten goed gebruik te maken van de ondiepten. Hierdoor konden zij een Engels-Franse overwinning tegenhouden.[104] De overleveringen vertellen dat er aan de kant van de vijand twaalf koningsschepen en nog een aantal branders verloren zijn gegaan. Daar stond tegenover dat er aan de zijde van de Republiek geen verliezen waren geleden qua schepen. Toch brachten de Fransen en Engelsen gedrukte berichten in omloop waarin werd beweerd dat zij hadden gezegevierd.[105]

Een week later vond de tweede slag bij Schooneveld plaats. De vloot van de vijand was, ondanks de verliezen bij de eerste slag, nog altijd groter en sterker dan die van De Ruyter. Toch wist De Ruyter opnieuw een wonder te verrichten.[106] Tegen de verwachting van de Engelsen en Fransen in kwam De Ruyter met zijn vloot het ‘hol’ uit en weet hij de wind voor zich te winnen, waardoor hij zich handig kan manoeuvreren. Tijdens deze strijd houdt Cornelis Tromp zich vooral bezig met de strijd tegen zijn persoonlijke vijand, de Engelse Sir Edward Spragge.[107]  Na een hevig artillerieduel dropen de Engelse en Franse vloten af in de richting van Solebay en werd de tweede Slag bij Schooneveld gewonnen door de Republiek.[108] De grote Engelse en Franse vloot had niet op een effectieve manier een formatie aan kunnen nemen en was dus niet bestand tegen de kanonnen en de behendige vloot van de Republiek. Toch kon het volk niet lang de overwinningen bij Schooneveld vieren. Op 30 juni capituleerde Maastricht. Daar waren zo’n 1700 Nederlandse en ongeveer het dubbele aantal Fransen gesneuveld. De Republiek was nu haar sterkste vesting kwijt, wat zorgde voor een flinke domper op de feestvreugde.[109]

Gravure van de Zeeslagen bij Schooneveld (7 en 14 juni 1673)
Gravure van de Zeeslagen bij Schooneveld (7 en 14 juni 1673) Romeyn de Hooghe (omgeving van). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-79.424

 

Slag bij Kijkduin (1673)

In de zomer van 1673 vond op 21 augustus bij een hooggelegen plek bij Den Helder, de Slag bij Kijkduin plaats.[110] Deze slag zou de laatste slag worden waarmee de Engelsen en Fransen de Nederlandse vloot probeerden te vernietigen om zo Holland vanaf de zeekant te kunnen veroveren.[111] De Nederlandse vloot ontmoette de verenigde Engelse en Franse vloot langs de Hollandse kust ten zuiden van het waddeneiland Texel en het Noord-Hollandse dorp Huisduinen. In deze slag voerde De Ruyter het bevel over 75 oorlogsschepen bewapend met ruim 4200 stukken geschut en bemand door 17.300 zeelieden en 2100 soldaten.

Net als bij Solebay en de beide slagen bij Schooneveld had De Ruyter te maken met een veel grotere en sterkere tegenstander. De Franse en Engelse officieren wisten echter niet effectief met elkaar samen te werken.[112] De slag begon rond acht uur in de ochtend. Voor de mensen die aan de hooggelegen plaats langs de zee stonden te kijken, was door het immense rookgordijn dat opdoemde al snel niets meer te zien.[113] De Ruyter had in de gaten dat de Fransen niet echt op een gevecht op zee zaten te wachten. Hij besloot daarom vooral de Engelse vloot aan te vallen.[114] Om 7 uur in de avond trokken de Engelsen en Fransen zich terug uit de strijd. Aan geen van beide kanten waren oorlogsschepen verloren gegaan, maar toch was de vijand nu zodanig gewond dat ze de hele zomer nodig zouden hebben om zich weer te herstellen.[115] Ook aan de kant van de Republiek werden er verliezen geleden. Jan van Gelder, de stiefzoon waar De Ruyter zeer lovend over sprak, sneuvelde tijdens de slag.[116]

Na de twee zeeslagen bij Schooneveld waren de Engelsen teleurgesteld over hun verlies, maar leek het in de samenwerking met de Fransen nog enigszins goed te gaan. Tijdens de slag bij Kijkduin begingen de Fransen echter een grove fout. De Franse admiraal d’Estrée had bij de Zeeslag van Kijkduin de Engelsen min of meer alleen tegenover De Ruyter laten vechten. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen. Kijkduin werd het begin van het einde van het bondgenootschap tussen Engeland en Frankrijk.[117] Binnen een paar maanden wilde het Engelse parlement de oorlog tegen de Republiek niet meer steunen.[118] Na het Engelse verlies bij Solebay, de slagen bij Schooneveld en de beschamend verlopen zeeslag bij Kijkduin, durfden de Engelsen geen directe confrontatie meer aan met de vloot van de Republiek.[119] Hierdoor was Karel II genoodzaakt op 19 februari 1674 het vredesverdrag met de Republiek de ondertekenen.[120]

De Ruyter had telkens opnieuw aangetoond dat hij zich kon verweren tegen de krachtige maritieme macht van Engeland en Frankrijk. Dit zorgde ervoor dat Oostenrijk en Spanje ervan overtuigd waren dat zij veilig een bondgenootschap met de Republiek aan konden gaan. Het bondgenootschap kwam er op 30 augustus en werd het Haags Verbond genoemd.[121] Hoewel er bij Kijkduin dus geen winst werd behaald, zorgde deze slag er wel voor dat de Republiek niet meer in oorlog was met Engeland en dat zij een sterk bondgenootschap kon vormen tegen de Franse hegemonie.

Zeeslag bij Kijkduin (11 augustus 1673)
Zeeslag bij Kijkduin (11 augustus 1673) Willem van de Velde de Jonge. Collectie National Maritime Museum, Greenwich, Londen

[1] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 6 ‘Vlucht’, p. 3/27, bol.com kobo e-book.

[2] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 6 ‘Vlucht’, p. 4/27, bol.com kobo e-book.

[3] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 46.

[4] Huis van de Nijmeegse geschiedenis, “De aanloop tot de Vrede van Nijmegen (1672-1676)” Geraadpleegd op 15 juli 2021, https://www.huisvandenijmeegsegeschiedenis.nl/info/De_aanloop_tot_de_Vrede_van_Nijmegen_(1672-1676).

[5] Huis van de Nijmeegse geschiedenis, “Beleg en inname in 1672,” Geraadpleegd op 15 juli 2021, https://www.huisvandenijmeegsegeschiedenis.nl/info/Beleg_en_inname_in_1672.

[6] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 46.

[7] Huis van de Nijmeegse geschiedenis, “De aanloop tot de Vrede van Nijmegen (1672-1676)” Geraadpleegd op 15 juli 2021, https://www.huisvandenijmeegsegeschiedenis.nl/info/De_aanloop_tot_de_Vrede_van_Nijmegen_(1672-1676).

[8] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 8 ‘Tussen hoop en wanhoop’, p. 24/26, bol.com kobo e-book.

[9] Huis van de Nijmeegse geschiedenis, “De aanloop tot de Vrede van Nijmegen (1672-1676)” Geraadpleegd op 15 juli 2021, https://www.huisvandenijmeegsegeschiedenis.nl/info/De_aanloop_tot_de_Vrede_van_Nijmegen_(1672-1676).

[10] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 50.

[11] Els Zwerver, “‘Bommen Berend’ in 1672: Groningens Ontzet,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd ip 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/bommen-berend-in-1672-groningens-ontzet.

[12] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 8 ‘Tussen hoop en wanhoop’, p. 24/26, 25/26, bol.com kobo e-book.

[13] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 120.

[14] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 8 ‘Tussen hoop en wanhoop’, p. 24/26, 25/26, bol.com kobo e-book.

[15] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 50.

[16] Els Zwerver, “‘Bommen Berend’ in 1672: Groningens Ontzet,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd ip 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/bommen-berend-in-1672-groningens-ontzet.

[17] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 50.

[18] Els Zwerver, “‘Bommen Berend’ in 1672: Groningens Ontzet,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd ip 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/bommen-berend-in-1672-groningens-ontzet.

[19] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 50.

[20] Henk Boels en Albert Buursma, “Groninger Boegbeeld 12: Carel Rabenhaupt,” De verhalen van Groningen,  geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-boegbeeld-12-carel-rabenhaupt.

[21] Els Zwerver, “‘Bommen Berend’ in 1672: Groningens Ontzet,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd ip 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/bommen-berend-in-1672-groningens-ontzet.

[22] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 10 ‘Vechten als een vos’, p. 2/26, bol.com kobo e-book.

[23] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 50.

[24] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 50.

[25] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 121.

[26] Henk Boels en Albert Buursma, “Groninger Boegbeeld 12: Carel Rabenhaupt,” De verhalen van Groningen,  geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-boegbeeld-12-carel-rabenhaupt.

[27] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 74; Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 14 ‘Het tweede oorlogsjaar’, p. 8/28, bol.com kobo e-book; Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 127.

[28] Nico Plomp, Woerden: 600 jaar stad (Woerden: Stichting Stichts-Hollandse Bijdragen, 1972), 126-30.

[29] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 10 ‘Vechten als de vos’, p. 18/26, 20/26, bol.com kobo e-book.

[30] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[31] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 123.

[32] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 10 ‘Vechten als de vos’, p. 21/26, bol.com kobo e-book; Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 123.

[33] Oude Hollandse Waterlinie, “Woerden, de Slag bij de Kruipin (1672),” Geraardpleegd op 15 juli 2021, https://oudehollandsewaterlinie.nl/het-verhaal-van-de-oude-hollandse-waterlinie/woerden-de-slag-bij-de-kruipin-1672/.

[34] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 124; Oude Hollandse Waterlinie, “Woerden, de Slag bij de Kruipin (1672),” Geraardpleegd op 15 juli 2021, https://oudehollandsewaterlinie.nl/het-verhaal-van-de-oude-hollandse-waterlinie/woerden-de-slag-bij-de-kruipin-1672/.

[35] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 124.

[36] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 10 ‘Vechten als de vos’, p. 21/26, 22/26, bol.com kobo e-book.

[37] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 125.

[38] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 10 ‘Vechten als de vos’, p. 21/26, 26/26, bol.com kobo e-book.

[39] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 74.

[40] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 11 ‘De keurvorst marcheert’, p. 7/31, Hoofdstuk 10 ‘Vechten als de vos’, p. 25/26, bol.com kobo e-book.

[41] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[42] Nico Plomp, Woerden: 600 jaar stad (Woerden: Stichting Stichts-Hollandse Bijdragen, 1972), 135.

[43] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 75.

[44] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 126.

[45] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De gescheidenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 75.

[46] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[47] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 2/19, bol.com kobo e-book.

[48] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 3/19, bol.com kobo e-book.

[49] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[50] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 5/19, 6/19, bol.com kobo e-book.

[51] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 127.

[52] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 5/19, 6/19, bol.com kobo e-book.

[53] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 127.

[54] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 7/19, bol.com kobo e-book.

[55] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 127.

[56] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 9/19, bol.com kobo e-book.

[57] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 127.

[58] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 13 ‘De Fransen breken door’, p. 9/19, bol.com kobo e-book.

[59] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 127.

[60] Oude Hollandse Waterlinie, “Bij Naarden begint de victorie! (1673),” Geraadpleegd op 19 juli 2021, https://oudehollandsewaterlinie.nl/het-verhaal-van-de-oude-hollandse-waterlinie/bij-naarden-begint-de-victorie-1673/.

[61] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 115.

[62] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 20 ‘Keerpunt’, p. 6/24, bol.com kobo e-book.

[63] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 20 ‘Keerpunt’, p. 7/24, bol.com kobo e-book.

[64] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 20 ‘Keerpunt’, p. 9/24, bol.com kobo e-book.

[65] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 20 ‘Keerpunt’, p. 10/24, 11/24 bol.com kobo e-book.

[66] Oude Hollandse Waterlinie, “Bij Naarden begint de victorie! (1673),” Geraadpleegd op 19 juli 2021, https://oudehollandsewaterlinie.nl/het-verhaal-van-de-oude-hollandse-waterlinie/bij-naarden-begint-de-victorie-1673/.

[67] Nederlands Vestingmuseum, “1673 – Beleg van Naarden,” Geraadpleegd op 19 juli 2021, https://www.vestingmuseum.nl/vestingstad/.

[68] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 41.

[69] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 4 ‘De aanval’, p. 3/22, bol.com kobo e-book.

[70] Luc Panhuysen, “Waterlinie 1672: een redding op het nippertje,” Geschiedenis van Zuid-Holland, Geraadpleegd op 13 juli 2021, https://geschiedenisvanzuidholland.nl/verhalen/verhalen/waterlinie-1672-een-redding-op-het-nippertje/.

[71] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 41.

[72] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 18/40, 19/40, 25/40, 26/40, bol.com kobo e-book.

[73] Sjaak Colijn, “‘Quod Traiectum ad Mosam XIII diebus cepit’: Sebastien LePrestre de Vauban en het beleg van Maastricht in 1673,” (Masterscriptie, Universiteit van Amsterdam, 2011), 28.

[74] Sjaak Colijn, “‘Quod Traiectum ad Mosam XIII diebus cepit’: Sebastien LePrestre de Vauban en het beleg van Maastricht in 1673,” (Masterscriptie, Universiteit van Amsterdam, 2011), 3.

[75] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 18/40, 19/40, 25/40, 26/40, bol.com kobo e-book.

[76] Zuiderwaterlinie Noord-Brabant, “Menno van Coehoorn: Het genie van de linie,” Geraadpleegd op 28 juli 2021, https://www.zuiderwaterlinie.nl/1linie/coehoorn.

[77] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 26/40, 28/40, bol.com kobo e-book.

[78] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 33/40, bol.com kobo e-book.

[79] Sjaak Colijn, “‘Quod Traiectum ad Mosam XIII diebus cepit’: Sebastien LePrestre de Vauban en het beleg van Maastricht in 1673,” (Masterscriptie, Universiteit van Amsterdam, 2011), 3, 29.

[80] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 127.

[81] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 33/40, bol.com kobo e-book.

[82] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 125.

[83] Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid: De Levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2005), 400-1.

[84] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 53.

[85] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 116.

[86] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 53.

[87] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 116-7.

[88] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 125; Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 117.

[89] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 906.

[90] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 53.

[91] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 9 ‘Men zegt…’, p. 5/33, bol.com kobo e-book.

[92] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 53.

[93] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 75.

[94] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 129.

[95] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 6/29, bol.com kobo e-book.

[96] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 129.

[97] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 6/29, bol.com kobo e-book.

[98] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 129.

[99] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 14/29, bol.com kobo e-book.

[100] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 129.

[101] S.H. Levie, Het vaderlandsch gevoel: Vergeten negentiende-eeuwse schilderijen over onze geschiedenis (Amsterdam: Rijksmuseum, 1978), 287.

[102] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 129.

[103] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 14/29, Hoofdstuk 19 ‘De wervingscommissaris’, p. 2/25, bol.com kobo e-book.

[104] Stichting Michiel de Ruyter, “Slag op Schooneveldt (1e),” Tijdlijn, Geraadpleegd op 27 juli 2021, https://www.deruyter.org/homepage?active=20#timeline.

[105] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 14/29, Hoofdstuk 19 ‘De wervingscommissaris’, p. 2/25, bol.com kobo e-book.

[106] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 129.

[107] Stichting Michiel de Ruyter, “Slag op Schooneveldt (2e),” Tijdlijn, Geraadpleegd op 27 juli 2021, https://www.deruyter.org/homepage?active=20#timeline.

[108] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 129.

[109] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 15/29, 24/29, bol.com kobo e-book.

[110] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 28/29, bol.com kobo e-book.

[111] Royal Museums Greenwich, “The Battle of the Texel, 11-12 August 1673,” Collections National Maritime Museum, Geraadpleegd op 20 juli 2021, https://collections.rmg.co.uk/collections/objects/11801.html.

[112] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020),, 132.

[113] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 28/29, bol.com kobo e-book.

[114] Royal Museums Greenwich, “The Battle of the Texel, 11-12 August 1673,” Collections National Maritime Museum, Geraadpleegd op 20 juli 2021, https://collections.rmg.co.uk/collections/objects/11801.html.

[115] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 28/29, bol.com kobo e-book.

[116] Stichting Michiel de Ruyter, “Slag bij Kijkduin,” Tijdlijn, Geraadpleegd op 27 juli 2021, https://www.deruyter.org/homepage?active=20#timeline.

[117] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 9/23, bol.com kobo e-book.

[118] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 9/23, bol.com kobo e-book.

[119] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De wereld van Willem III, Woerden 2022 (komt voorjaar 2022 uit, dusnog geen paginanummers beschikbaar).

[120] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 9/23, bol.com kobo e-book.

[121] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 132.

Belangrijke personen in het Rampjaar

Willem III en enkele generaals (o.a. Frederik v. Nassau-Zuylestein, Johan Maurits v. Nassau-Siegen en Godard v. Reede)

De Nederlandse Stadhouder Willem II was getrouwd met de oudste dochter van de Engelse koning Karel I, prinses Maria Henriëtte Stuart. Op het moment dat Willem II in 1650 stierf, was Maria hoogzwanger. Een aantal weken later werd hun zoon Willem III geboren.[1] Na de plotselinge dood van Willem II was de machtspositie van het gewest Holland in de Republiek zo sterk dat de Hollandse raadpensionaris Johan de Witt de Nederlandse buitenlandse politiekvoering op zich had genomen.[2] Het was het begin van de eerste stadhouderloze periode in de Republiek.[3] De toekomst van de prins, die overigens kampte met een zwakke gezondheid, was hierdoor erg onzeker geworden.[4] Zoals besloten door de Staten-Generaal zou Willem op vijftienjarige leeftijd ‘Kind van Staat’worden. De Staten van Holland zouden vanaf dan zijn opvoeding verzorgen en hem opleiden in de staatkunde van de Republiek. Op deze manier kon de Staten-Generaal een vinger in de pap houden. Zij waren namelijk bang dat Willem te veel beïnvloed zou worden door zijn Engelse familie of dat de onvoorwaardelijke steun van de orangisten Willem naar het hoofd zou stijgen.[5]

Willem III wordt ‘Kind van Staat’
Willem III wordt ‘Kind van Staat’ (detail). Romeyn de Hooghe, objectnummer RP-P-OB-77.033
Portret van Willem III op 10-jarige leeftijd.
Portret van Willem III op 10-jarige leeftijd. Collectie Mauritshuis, Den Haag

Na de Eerste Engelse Zeeoorlog liet Johan de Witt in de Vrede van Westminster (1654) een geheime clausule opnemen die bekend zou worden als de Akte van Seclusie. Deze akte bepaalde dat Willem nooit het stadhouderschap zou bekleden. Willem vervolgde zijn opleiding vanaf 1658 in Leiden, waar Frederik van Nassau-Zuylestein zijn voogd (gouverneur) werd. Johan de Witt ging zich vanaf 1665 persoonlijk met de educatie van de prins bezighouden. Zo gaf De Witt de jonge prins elke week les in politieke en diplomatieke geschiedenis.[6]

Akte van Seclusie. Collectie Nationaal Archief.
Akte van Seclusie. Collectie Nationaal Archief. Via Wikimedia Commons

Zuylestein was een onwettig kind van de grootvader van Willem III, Frederik Hendrik van Oranje.[7] Hij werd geboren omstreeks 1608. Hij werd opgevoed als graaf van Buren en in 1640 kocht zijn vader voor hem de heerlijkheid Zuylestein. Onder Willem II was Zuylestein kolonel van een infanterieregiment van het Staatse leger, onder andere bij het beleg van Amsterdam in 1650. Toen Willem III ‘Kind van Staat’werd in 1666, werd Zuylestein uit zijn gouverneurspost ontslagen.[8] De prins was in zijn jeugd vaak eenzaam en in die periode was Zuylestein voor hem altijd een toegewijde dienaar. Dat Willem Zuylestein op prijs stelde bleek uit de functies die hij later aan hem toe zou wijzen. Zuylestein werd generaal van de infanterie en bezette in Willem’s krijgsraad de voorzittersstoel.[9]

Portret van Frederik van Nassau-Zuylestein.
Portret van Frederik van Nassau-Zuylestein. Jan de Baen. Privécollectie. Via Wikimedia Commons

In 1667 namen de Staten van Holland het ‘Eeuwig Edict’ aan, wat vervolgens in 1670 door de andere Staten ook werd gedaan. Met dit edict werd het stadhouderschap afgeschaft en werd er bepaald dat de functies van kapitein-generaal en admiraal-generaal nooit gelijktijdig met het stadhouderschap gecombineerd mochten worden. In 1668 was het ‘Kind van de Staat’echter een volwassen man geworden en was het duidelijk dat hij niet langer buiten de politiek kon worden gehouden. In 1668 werd de prins in Zeeland tot Eerste Edele benoemd en in 1670 werd hij lid van de Raad van State, waarin hij, tegen de zin van Johan de Witt in, ook stemrecht kreeg.[10]

Vele regenten verkeerden in de veronderstelling dat, als zij Willem III tot kapitein-generaal van het leger van de Republiek zouden benoemen, dat Engeland dan nog voor een bondgenootschap met de Republiek te vangen zou zijn. Willem was immers de neef van de Engelse koning Karel II. Met de dreigende oorlog in het vooruitzicht, wilde enkele leden van de Staten van Holland Willem meer bevoegdheden geven. Een meerderheid stemde dan ook in met het plan om hem kapitein-generaal te maken, maar wel met beperkende voorwaarden en slechts voor één veldtocht.[11] Dit laatste was ondoenlijk volgens Willem. Maar er was geen tijd te verliezen en dus nam hij het veldheerschap voor één veldtocht aan.[12] In januari werd hij benoemd.[13]

Willem had geen praktische ervaring, maar werd hierin bijgestaan door Zuylestein en Johan Maurits van Nassau-Siegen, die als mentoren in de eerste veldtocht aan zijn zijde stonden.[14] Ook Georg Friedrich van Waldeck – die via zijn vrouw verwant was aan Willem – was een van de meest ervaren aanvoerders van zijn tijd en bracht Willem veel kneepjes van het vak bij. Hij was vanaf half juli de voornaamste raadgever en leraar va de jonge prins.[15] Uiteindelijk wist Willem in 1672 het zwakke Staatse leger om te vormen tot een omvangrijke en effectieve strijdmacht.[16]

Georg Friedrich, graaf van Waldeck.
Georg Friedrich, graaf van Waldeck. Christiaan Hagen. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-55.624

Johan Maurits, graaf en later vorst van Nassau-Siegen, werd geboren te Dillenburg op 17 juni 1604. Als jonge man nam hij deel aan veldtochten onder prins Maurits en prins Frederik Hendrik van Oranje. Zelf was hij een voortreffelijk wis- en vestingbouwkundige en ook hield hij van schilder- en bouwkunst. Op voorstel van prins Frederik Hendrik werd Nassau-Siegen door de West-Indische Compagnie (WIC) benoemd tot gouverneur, kapitein en admiraal-generaal van Brazilië.[17] Hij breidde de compagnie daar aanzienlijk uit en liet het gebied wetenschappelijk onderzoeken en ontginnen, maar was ook persoonlijk betrokken bij de trans-Atlantische slavenhandel. In zijn hofhouding werkten veel in slavernij gebrachte mensen en hij verdiende daarnaast aan de verkoop van Afrikanen die de koning van Congo hem cadeau had gedaan. Ook smokkelde hij in samenwerking met Portugezen aan zijn hof, mensen die in slavernij waren gebracht Brazilië in.[18]

Braziliaans landschap met tot-slaaf-gemaakten.
Braziliaans landschap met tot-slaaf-gemaakten. Frans Post. Collectie Mauritshuis, Den Haag

Wegens moeilijkheden met de WIC keerde hij in 1644 terug naar de Republiek. Hier werd hij opperbevelhebber van de Staatse ruiterij en bouwde hij tevens in Den Haag het ‘Mauritshuis’, wat nog altijd te bewonderen is. In 1665-66, in de oorlog tegen Munster, werd hem het opperbevel van het kleine en verwaarloosde Staatse leger toebedeeld.[19] Het is frappant dat juist in deze hoedanigheid Johan de Witt hem een ‘oude en gemakzuchtige man’ genoemd zou hebben.[20] Men zou zich kunnen afvragen hoe De Witt daarom misschien gereageerd zou hebben toen het uitgerekend Nassau-Siegen was die hem in 1669 vertelde dat er een Franse aanval op handen was die hoogstwaarschijnlijk hulp zou krijgen van de Munsterse bisschop en zijn leger. Ook waarschuwde hij De Witt de Engelse koning niet te vertrouwen. Hij dacht dat er wel eens een grote land- en zeeoorlog in het verschiet zou kunnen liggen.[21]

Portret van Johan Maurits van Nassau-Siegen.
Portret van Johan Maurits van Nassau-Siegen. Jan de Baen. Collectie Mauritshuis, Den Haag

Op 3 juli 1672, toen het Rampjaar zich al aan het ontvouwen was, werd door Amsterdam het voorstel gedaan om Willem III tot stadhouder van Holland te maken. In de vroege uren van 4 juli werd hiermee ingestemd. Dit betekende voor Willem dat hij dezelfde functie kreeg als zijn voorouders, onder dezelfde voorwaarden en dat hij dus ook verregaande benoemingsrechten in de Hollandse stadsregeringen kreeg. Het gewest Zeeland benoemde Willem op 16 juli tot stadhouder.[22] Onder Willem lukte het de Republiek om haar isolement te verbreken. De prins van Oranje was de drijvende kracht achter de onderhandelingen met de keizer van het Heilige Roomse Rijk, Spanje en Lotharingen.[23] Het Rampjaar betekende voor Willem III de start van zijn opgang. Dit gold ook voor Godard van Reede, heer van Ginkel.[24]

Portret van Godard van Reede-Ginkel.
Portret van Godard van Reede-Ginkel. Anoniem. Collectie Kasteel Middachten. Via Wikimedia Commons

Van Reede, geboren op zijn voorvaderlijk slot te Amerongen in 1644, was de zoon van Godard Adriaan van Reede en Margaretha Turnor. Tijdens zijn leven wist hij heel wat titels te verzamelen, zo was hij 1e graaf van Athlone (Ierland), baron van Agrim, vrijheer van Amerongen en ook heer van Ginkel, Lievendael, Elst, Middachten, Herveld, Rouenburg en Nienburg. Onder Willem III en enkele andere bevelhebbers leerde Van Reede over de krijgskunst. Er is echter niet veel bekend over heldendaden die hij tijdens het rampjaar verricht zou hebben.[25] Meest noemenswaardig is zijn inzet om Naarden weer terug te veroveren op de Fransen. Van Reede werd ingezet voor een imitatie-aanval op Grave, zodat Oranje zich bezig kon houden met waar het echt om te doen was: Naarden heroveren.[26]

Portretten van Margaretha Turnor en Godard Adriaan van Reede-Van Amerongen.
Portretten van Margaretha Turnor en Godard Adriaan van Reede-Van Amerongen. Jurriaen Ovens. Collectie Stichting Kasteel Amerongen. Via Wikimedia Commons

Op 5 juli deden de Engelse hertogen Arlington en Buckingham bij Nieuwebrug Willem in een het aanbod tot de soevereiniteit over het gebied in de Republiek dat over zou blijven na de verdeling onder Frankrijk en zijn bondgenoten en in ruil voor een aantal steden. Willem vond deze eisen echter veel te hoog en stelde dat hij nog ‘liever duizend keer doodging dan ze te accepteren’. Willem probeerde een aparte vrede met Engeland te bewerkstelligen, maar helaas werden zijn voorstellen afgewezen.[27] Op 16 juli sloten Engeland en Frankrijk bij Heeswijk een verdrag waarin zij afspraken hoe de Republiek onder hen verdeeld zou worden en dat zij geen afzonderlijke vrede met de Republiek zouden sluiten.[28]

Op 12 juli ontving de prins van Oranje een brief van Johan de Witt, die hem verzocht de laster die er over De Witt via de pamfletten werd rondgestrooid te ontkennen. Constantijn Huygens raadde Willem aan niet op dit verzoek in te gaan en ook niet te reageren. Uiteindelijk besloot Willem de brief toch te beantwoorden en deelde hij De Witt mee dat ook zijn eigen familie en persoon aan laster hadden blootgestaan. Verder stelde hij dat hij niet kon oordelen over wat er verder over De Witt gezegd werd.[29]

Portret van Constantijn Huygens
Portret van Constantijn Huygens. Caspar Netscher. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-292

Nadat Cornelis de Witt gevangen was gezet en Johan op 4 augustus zijn ontslag bij de Staten van Holland had ingediend, publiceerde Willem III op 15 augustus op aanraden van Gaspar Fagel een brief van Karel II aan de prins, waarin Karel zijn neef een warm hart toedroeg en de schuld van de situatie vooral naar de staatsgezinde regenten toeschoof. Deze brief bezegelde het lot voor de gebroeders de Witt. Willem III weigerde met geweld tegen de daders van de moord op te treden, omdat er volgens hem zeer voorname burgers bij waren geweest.[30]

Door het overlijden van Johan de Witt was er een machtsvacuüm ontstaan in de Republiek. Die werd onmiddellijk opgevuld door Willem III, die de controle op het buitenlands beleid overnam. Alles van wezenlijk belang werd geregeld naar aanwijzingen van de stadhouder, ook al moesten formele beslissingen als vanouds genomen worden door de Staten-Generaal.[31] Willem nam echter, nadat hij tot stadhouder was benoemd, steeds meer beslissingen buiten de Provinciale Staten en de Staten-Generaal om.[32] Op 28 augustus namen de Staten van Holland het besluit dat de prins werd gemachtigd in de Hollandse steden ‘de wet te verzetten’. Dit hield in dat hij regenten mocht vervangen met figuren die hem beter gezind waren. Vele steden en gewesten volgden hierna. Willem was nu zowel in militair als in politiek opzicht de machtigste man in de Republiek.[33]

Portret van Coenraad van Beuningen.
Portret van Coenraad van Beuningen. Caspar Netscher. Collectie Amsterdam Museum. Via Wikimedia Commons
Portret van Hieronymus van Beverningk.
Portret van Hieronymus van Beverningk. Jan de Baen. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-963

Toch waren niet alle staatsgezinden plotseling verdwenen. Zuylestein stoorde zich er bijvoorbeeld aan dat Willem zo goed overweg kon met Hiëronymus van Beverningk en Coenraad van Beuningen, die voorheen altijd goed met Johan de Witt hadden samengewerkt.[34] Willems gunstelingen waren vaak impopulair, zowel op provinciaal als op plaatselijk niveau.[35] Tot Willems meest naaste kring behoorden, naast Zuylestein, de broers Van Nassau-Odijk, Hendrik, stalmeester van de prins en kolonel van de garde en Maurits Lodewijk, luitenant-generaal van de cavalerie. Gaspar Fagel en Hans Willem Bentinck werkten ook nauw met de prins samen en hun relaties werden gekenmerkt door hechte vriendschappen. Ook Frederik van Nassau-Zuylestein jr. vervulde verschillende functies. Zo zou hij een aantal diplomatieke missies naar Engeland voor Willem vervullen.[36] Zijn vader, was tijdens de mislukte herovering van Woerden gesneuveld in de nacht van 11 op 12 oktober 1672. Het verhaal gaat dat zijn lichaam werd de volgende dag aangetroffen met maar liefst achttien wonden.[37]

Portret van Hans Willem Bentinck.
Portret van Hans Willem Bentinck. Hyacinthe Rigaud. Portland Collection, Nottinghamshire. Via Wikimedia Commons

Nassau-Siegen zou zich tijdens het Rampjaar vooral bezighouden met de verdediging van Friesland en Groningen. In november 1673 moest hij zich wegens ziekte en ouderdom echter terugtrekken naar Den Haag en droeg hij deze taak over aan luitenant-generaal Rabenhaupt.[38] In augustus 1674 marcheerde Willem samen met onder andere Nassau-Siegen, Waldeck en Van Reede en de troepen door de Spaanse Nederlanden.[39] In de daaropvolgende Slag bij Seneffe raakte Van Reede zwaargewond, maar hiervan wist hij geheel te herstellen.[40] Uiteindelijk zou dit de laatste missie te velde zijn voor Nassau-Siegen, die in 1679 in Bergendaal in Kleef kwam te overlijden.[41]

In 1675 bezocht Willem Engeland zelf. Hij was daar om naar de hand van zijn nichtje Maria Stuart te vragen, de dochter van Jacobus de broer van de Engelse koning Karel II.[42] Jacobus had bezwaren tegen het huwelijk. Hij had voor zijn dochter de Franse dauphin (kroonprins) in gedachten. Karel had echter het laatste woord en hij was wel bereid het huwelijk door te laten gaan. Dit moest echter wel onder de voorwaarde dat er vrede met Frankrijk zou komen. Daar kon Willem niet mee instemmen. Uiteindelijk lukte het de Engelse diplomaat William Temple om Karel ervan te overtuigen eerst het huwelijk te voltrekken en daarna pas over vrede te onderhandelen.[43] In 1677 werd het huwelijk uiteindelijk voltrokken.[44]

Portret van William Temple
Portret van William Temple. Caspar Netscher. Collectie National Portrait Gallery, Londen

Hoewel velen een grote rol hebben gespeeld in het verloop van de oorlog, was het toch vooral Willem die ervoor zorgde dat in de onderhandelingen met Frankrijk en Engeland het defaitisme geen kans kreeg. Willem zag het als zijn levenswerk de Franse dreiging te weerstaan.[45] Hij beschouwde zichzelf als het werktuig van God dat Lodewijk XIV een halt moest toeroepen. Willem maakte in zijn strijd veelvuldig gebruik van propaganda. Zo verscheen er in 1675 een pamflet De Franse Machiavelli, waarin Lodewijk ervan werd beschuldigd een ‘universele monarchie’ te willen vestigen. Volgens Lodewijk was er echter ook genoeg aan de prins van Oranje te verwijten. Volgens de Zonnekoning was Willem volstrekt onredelijk en uit op oorlog. Terwijl Lodewijk verschillende voorstellen deed om de Republiek met een vrede tegemoet te komen sloeg Willem deze – volgens Lodewijk schappelijke voorstelen – telkens af. Beide vorsten beschuldigden elkaar van oorlogszuchtigheid.[46]

Portret van Lodewijk XIV.
Portret van Lodewijk XIV. Hyacinthe Rigaud. Collectie Musée de Louvre, Parijs. Via Wikimedia Commons

Onder Willems bewind zou de Republiek de decennia na het Rampjaar, samen met andere mogendheden in Europa een brede coalitie vormen tegen de Franse hegemonie.[47] In 1685 nam, met de herroeping van het Edict van Nantes en de troonsbestijging van de Engelse katholieke koning Jacobus II, de dreiging van een katholieke hegemonie in Europa toe. Toen in juni 1688 Jacobus vader werd van een zoon, een mogelijke mannelijke troonopvolger, gaf Willem gehoor aan de uitnodiging van de Engelse oppositie om Jacobus II uit Engeland te verjagen.[48] Op 1 november trok hij met 500 schepen, een leger van meer dan 20.000 hoog bekwame soldaten en nog 20.000 mariniers en ondersteunend personeel naar Engeland. Op 12 december kwam Willem aan in Londen, Jacobus II was inmiddels naar Frankrijk gevlucht.[49] In de ogen van heel Europa bleef de positie van Willem in Groot-Brittannië, en daarmee het lot van de Republiek in de Europese machtsbalans, uiterst onzeker. Het grootste en beste deel van het Staatse leger bevond zich op Brits en Iers grondgebied terwijl de Republiek nog in oorlog met Frankrijk verkeerde. Dit stelde de Staten-Generaal voor een hele rits aan strategische en logistieke problemen.[50]

Willem III vertrekt met de vloot naar Engeland.
Willem III vertrekt met de vloot naar Engeland. Jan Luyken. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-1896-A-19368-695

Tijdens Willems tijd in het buurland van de Republiek, was Van Reede van groot belang. In september van 1675 was hij bevorderd tot commissaris-generaal van de cavalerie. In oktober van 1683 werd hij luitenant-generaal. Enkele jaren later in 1688 vergezelde hij Willem op zijn tocht naar Engeland. Hij verhielp hier onder andere een opstand van schotse troepen bij Harwich. In 1690 was hij met Willem in Ierland en speelde hij een belangrijke rol in het winnen van de Slag bij de Boyne. Hierna werd Van Reede opperbevelhebber van de Nederlands-Engelse krijgsmacht in Ierland. Op 30 juni 1691 wist hij na een moeizame belegering de stad Athlone in te nemen, waar hij vervolgens graaf van werd. In maart 1692 ontving hij rang van generaal van de cavalerie. Na een beroerte op 9 februari 1703, kwam hij later die maand op 11 februari te overlijden. Hij werd te Amerongen begraven.[51]

De Slag aan de Boyne
De Slag aan de Boyne. Jan van Huchtenburg. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-605

Willem en zijn vrouw Maria hadden het koningschap gezamenlijk aanvaard en zworen hierbij dat zij het land zouden besturen volgens de wetten die door en met het parlement waren opgesteld. Formeel gezien waren zij gezamenlijk vorst, maar in de praktijk nam Willem veel van de bestuurlijke taken op zich.[52] In de winter van 1694-5 overleed Maria aan de kinderpokken. Dit stortte Willem, die veel om zijn vrouw gaf, in een diepe persoonlijke crisis.[53]

Dubbelportret van Willem III en zijn vrouw Maria Stuart
Dubbelportret van Willem III en zijn vrouw Maria Stuart. Peter Hoadly. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-4324

Na het overlijden van Maria bleef Willem wel de koning. In 1700 en 1701 verbleef Willem III langdurig op Paleis Het Loo. Op 31 december 1701 zou hij voor het laatst Londen bezoeken, waarna hij zich terugtrok in het nabijgelegen paleis Hampton Court. Daar viel hij op 20 februari van zijn paard, brak zijn sleutelbeen en liep een hevige kou op. Twee weken later kwam hij te overlijden.[54] Na het overlijden van Willem III werd het stil aan het orangistische front. Willem III had, anders dan zijn vader, na zijn overlijden geen zoon op de wereld achtergelaten. Zijn officiële opvolger was Johan Willem Friso, Willems Friese bloedverwant, die met zijn vijftien jaar nog onder de voogdij van zijn moeder stond. Al in 1711 kwam Johan Willem Friso te overlijden. Zijn postume zoon die opgroeide in Leeuwarden bleef voor velen een onbekende.[55]Aan het eind van het bewind van Willem III in 1702, was de Republiek niet langer de grote mogendheid die het ooit geweest was.[56]

Michiel de Ruyter & Willem Joseph van Ghent

Michiel Adriaenszoon de Ruyter werd in 1607 geboren in Vlissingen, een stad die in de zeventiende eeuw bekend stond als het centrum van walvisvaart, koopvaardij, kaapvaart en oorlogsvoering te water. Het is dan ook niet gek dat De Ruyter carrière zou maken tussen de golven.[57] Het begin van zijn carrière te water maakt De Ruyter als schipper in de koopvaardij. Ook was hij tijdelijk in Staatse dienst bij een tocht naar Portugal.[58] In deze vroegere jaren van zijn leven was hij ook kaperkapitein. In een gevecht met Spaanse kapers werd hij zelfs gevangengenomen en achtergelaten op een onbewoond eiland.[59] In 1652, toen De Ruyter een man van middelbare leeftijd was, dacht hij een rustiger bestaan te gaan leiden. In datzelfde jaar breekt echter de Eerste Engelse Zeeoorlog uit. Hij besluit zich in te blijven zetten voor de zeemacht. Hij wordt benoemd tot vice-commandeur op de oorlogsvloot. Uiteindelijk weet hij in de Noordse oorlog de vrije doorvaart door de Sont voor de Republiek te verzekeren, die voor onze handel vitaal was.[60] Met zijn oorlogsvoering ter zee wist De Ruyter uiteindelijk op te klimmen tot de functie van luitenant-admiraal en wist hij tevens een internationale naam te verschaffen.[61]

            Maar De Ruyter deed het dikwijls niet alleen. Aan zijn zijde stond regelmatig de Gelderse edelman Willem Joseph van Ghent (ook wel Van Gent, Van Gendt of Van Ghendt). Van Ghent werd geboren in 1626 in het Gelderse dorpje Winssen. Hij koos voor een militaire carrière en vanaf 1645 diende hij in het regiment van de graaf van Hoorne, waar hij in 1648 kapitein werd. In 1659, tijdens de vierde Noordse Oorlog tegen Zweden maakte hij voor het eerst kennis met de oorlogsvoering ter zee en viel hij onder het commando van De Ruyter. In december 1664 wordt Van Ghent luitenant-kolonel en gouverneur van de marinebasis in Hellevoetsluis. Een jaar later zou hij hier eerste commandant worden van het Regiment der Marine, een voorloper van het Korps Mariniers. In datzelfde jaar, 1665, brak de Tweede Engelse Zeeoorlog uit. Raadspensionaris Johan de Witt stond er in 1666 op dat Van Ghent een marine-rang zou aannemen en zou functioneren als kapitein van het schip De Gelderland. Zijn schip zou die van De Ruyter (De Zeven Provinciën) bijstaan op 4 en 5 augustus in een gevecht. Nadat Cornelis Tromp wegens een conflict op non-actief was gesteld, nam Van Ghent Tromps functie over als luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland.[62]

Willem Joseph baron van Ghent.
Willem Joseph baron van Ghent. Jan de Baen. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-3126

De Tweede Engelse Oorlog verliep in eerste instantie ongunstig voor de Republiek, maar in 1667 werd er onverwacht een grote overwinning behaald op naam van De Ruyter, Van Ghent en Cornelis de Witt.[63] Via de kronkelige Medway, vol vele ondieptes, voer de vloot vijandelijk gebied binnen.[64] Tijdens de actie was Van Ghent samen met De Witt aanwezig op de lichte fregat Agatha. Hiermee werd een door de Engelsen over de rivier gespannen ketting stukgevaren, wat nog altijd als een van de hoogtepunten van de Tocht naar Chatham wordt gezien. De Ruyter voegde zich later bij deze voorste gelederen van de vloot.[65] Eenmaal aangekomen in Chatham, vernietigden zij de daar afgemeerde Engelse vloot.[66] In totaal werden er vijftien Engelse linieschepen verbrand of tot zinken gebracht. Hoewel ook De Ruyter en De Witt veel lof ontvingen, werd de overwinning voor een groot deel aan Van Ghent toegeschreven. Na de Tweede Engelse Zeeoorlog was van Ghent eerst drie jaar actief als luitenant-admiraal. In 1668 was hij lid van de Raad van State voor Utrecht en van mei tot november 1670 voerde hij als luitenant-admiraal operaties uit tegen de kapers van Algiers voor de kust van West-Afrika.[67]

Aanval op de Medway
Aanval op de Medway, Anoniem. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-307

Hoewel het met de zeemacht van de Republiek aan het begin van 1672 goed gesteld was, duurde het toch enige tijd voordat De Ruyter over alle schepen kon beschikken die hij nodig had. De toekenning van subsidies verliep erg moeizaam, waardoor de Ruyter slechts de helft van het totaal beschikbare aantal oorlogsschepen in gebruik kon nemen. In de Slag bij Solebay wisten De Ruyter de Engelsen en Fransen te verrassen, door hen voor de Engelse kust te treffen. Zij waren nog niet klaar voor de strijd. Het initiatief werd hun ontnomen en dit werkte in het voordeel van de Nederlandse vloot. De felle zeeslag eindigde uiteindelijk onbeslist, maar toch werd het zeegevecht gezien als een grote morele overwinning voor de Republiek.[68] Er werden door de Republiek echter ook verliezen geleden. In de slag was luitenant-admiraal Van Ghent namelijk gesneuveld.[69] Hij commandeerde een van de drie eskaders vanaf zijn vlaggenschip de Dolphijn. Een half uur na het begin van de Slag bij Solebay probeerde hij het Engelse vlaggenschip de Royal James te enteren en werd hij door een kanonskogel getroffen. Zo kwam hij vroegtijdig aan zijn einde, hij was pas 46 jaar.[70]

Na de slag bevond de vloot zich nog enige tijd op zee. De Ruyter berichtte in juli dat Cornelis de Witt gebukt ging onder ondragelijke pijnen. Toen de vloot voor de Nederlandse kust lag, werd Cornelis liggend in een sloep afgevoerd.[71] Nadat hij vroegtijdig de vloot had moeten verlaten begonnen zich verschillende geruchten over hem te verspreiden. De Ruyter wordt vaak gekarakteriseerd als een loyale man, wat ook in zijn reactie op de geruchten over De Witt te merken was. Wanneer deze fabels hem ter ore kwamen, ontkende hij ze steevast.[72] Toen na de Slag bij Solebay het volk in de Republiek zich tegen de regenten begon te keren, moest ook De Ruyter, die voorheen als een held in de armen van het volk was gesloten, het ontgelden. Hij werd nu door het volk gezien als de rechterhand van de staatsgezinden en was daarom niet langer zeker van de veiligheid van zijn gezin en hemzelf.[73] Toch wist De Ruyter opnieuw zijn draai te vinden en bleek hij niet alleen onder de staatsgezinden, maar ook onder Willem III zijn werk te kunnen doen.[74]

Michiel de Ruyter met zijn familie.
Michiel de Ruyter met zijn familie. Juriaen Jacobsz. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-2696

In juni 1673 werden bij Schooneveld twee enorme zeeslagen geleverd.[75] De Ruyter was zich bewust van het verschil in krachtsverhouding tussen zijn eigen en de Frans-Engelse vloot. Daarom verscholen de Nederlandse schepen zich vlak voor Schooneveld, op de kust van Zeeuws-Vlaanderen, waar het wateroppervlak vervuld was van richels en zandbanken. Hier wist de Franse en Engelse vloot zich geen raad mee en dus was een landing van de vijand op de kust van de Republiek wederom gepareerd.[76] In augustus 1673 volgde de Slag bij Kijkduin.[77] Hier lieten de Fransen de Engelsen min of meer alleen tegenover de Ruyter vechten. Deze slag was het begin van het einde van het bondgenootschap tussen Engeland en Frankrijk. Karel II van Engeland had intern alle steun voor het bondgenootschap met Frankrijk verloren, waardoor hij in februari 1674 gedwongen was een vredesverdrag met de Republiek te ondertekenen.[78] De slagen bij Solebay, Schooneveld en Kijkduin worden tot de grootste tactische prestaties uit het leven van De Ruyter gerekend.[79]

Onder De Ruyter wist de Nederlandse vloot alle gevaren van een dreigende invasie vanaf zee te voorkomen.[80] Gedurende de hele oorlog zorgde De Ruyter ook voor bemanning, materieel en geschut om de waterlinie en andere rivieren en bevaarbare plaatsen te verdedigen.[81] De Ruyter zou niet meer lang van zijn roem kunnen genieten. In 1676 wordt hij met een ineffectieve vloot naar de Middellandse Zee gestuurd.[82] Bij Sicilië, in de baai van Syracuse, schiet hij de Spaanse bondgenoten te hulp. In dit gevecht raakt De Ruyter dodelijk gewond.[83] Een week later kwam hij te overlijden. Hij was toen 70 jaar oud.[84] Zowel de Ruyter als Van Ghent werden in een praalgraf begraven. De eerste in het hoogkoor van de Nieuwe Kerk in Amsterdam, de laatste in het hoogkoor van de Dom in Utrecht.[85]

 

De gebroeders De Witt

De gebroeders stamden uit een oud en invloedrijk Dordts regentengeslacht. Hun vader Jacob had allerlei functies in de stadregering bekleed. Hun moeder, Anna van den Corput, was afkomstig uit een welgestelde Bredase familie.

Portretten van Jacob de Witt en Anna van Corput. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummers SK-A-4760 en SK-A-4761

Als kind gingen de gebroeders naar de Latijnse school in Dordrecht – het huidige Johan de Witt-gymnasium – en vanaf 1641 studeerden ze rechten in Leiden. Ze behaalden beiden hun graad in de rechtsgeleerdheid aan een gerenommeerde universiteit in het buitenland. Cornelis werd daarna advocaat in Dordrecht en werd al snel tot schepen, een openbaar bestuurder op plaatselijk niveau, gekozen. Johan ging aan de slag als advocaat in Den Haag en hield zich in zijn vrije tijd graag bezig met wiskunde.[86] In 1653 was Johan raadspensionaris van Holland geworden, wat hij bleef tot vlak voor zijn dood. Cornelis was ruwaard van Putten. Dit hield in dat hij namens de Landsheer van Putten de stad bestuurde. Daarnaast was Cornelis gedeputeerde ter zee. Dit laatste hield in dat hij namens de Staten-Generaal meevoer op de oorlogsvloot. In die rol woonde hij een aantal belangrijke zeeslagen bij aan de zijde van Michiel de Ruyter.[87]

In de periode dat Johan functioneerde als raadspensionaris was Holland voornamelijk staatsgezind. De politieke aspiraties van de Republiek waren vooral gericht op de vrijheid van handel en het behoud daarvan.[88] In 1653 ontwikkelde Johan ambitieuze plannen voor de bouw van een omvangrijke vloot, waarmee de basis werd gelegd voor een machtspositie op zee. Op het landleger werd echter drastisch bezuinigd.[89] In 1665 brak de Tweede Engelse Oorlog uit. Johan wilde met de Nederlandse vloot de Theems opvaren om de Engelse vlootbasis in Chatham aan te vallen. Eind oktober 1667 varen enkele schepen onder leiding van De Ruyter met Cornelis aan boord de Theems op. Cornelis speelde een belangrijke rol in de beroemde tocht naar Chatham, waarin de Nederlandse vloot de Engelse tegemoetkwam in hun marinebasis en hen daar overviel.[90] Eind juli keerde de vloot huiswaarts en waren de gebroeders, met name Cornelis, het stralende middelpunt van blijdschap, trots en hulde.[91]

Verheerlijking van Cornelis de Witt. Op de achtergrond is de Tocht naar Chatham te zien.
Verheerlijking van Cornelis de Witt. Op de achtergrond is de Tocht naar Chatham te zien. Jan de Baen (kopie naar). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-A-4648

Voor Johan was het meer dan eens lastig om de leden van de Staten-Generaal in het Hollandse gareel te houden. Toch wist hij groot persoonlijk aanzien en overwicht te verwerven in binnen- en buitenland. Op 23 januari 1668 werd de Triple Alliantie tussen Engeland, Zweden en de Republiek gesloten, wat veelal beschouwd wordt als het werk van Johan om de collectieve veiligheid te garanderen.[92] Door dit verbond kon De Witt voorkomen dat de Spaanse Nederlanden tijdens de Devolutieoorlog (1667-1668) door Lodewijk XIV veroverd werden, waarmee de Republiek haar bufferzone met Frankrijk kwijtgeraakt zou zijn.[93] Onder het bewind van Johan was het tot 1672 telkens gelukt de Engelse en Franse uitdagingen het hoofd te bieden.[94] De Republiek maakte zowel op economisch als op internationaal-politiek vlak een bloeiperiode door. In 1667 werd door de Staten van Holland, onder druk van de Engelsen, het Eeuwig Edict aangenomen, waarin besloten werd dat in de toekomst een kapitein-generaal of admiraal-generaal niet tegelijkertijd stadhouder van een of meerdere provincies mocht zijn en dat er in Holland nooit meer een stadhouder benoemd zou worden.[95] Toch liep Johan ook tegen veel weerstand aan. De prinsgezinde facties vonden dat er in het bestuur weer een plaats moest zijn voor Oranje. In 1670, nadat alle andere gewesten hadden ingestemd met het Eeuwig Edict, werd Willem III dan ook lid van de Raad van State, waarin hij ook stemrecht kreeg.[96]

In 1671 ontving De Witt inlichtingen uit Parijs waaruit bleek dat Frankrijk en Engeland hadden samengespannen tegen de Republiek in het geheime verdrag van Dover. Hij – en vele andere bestuurders met hem – achtte dit geheime verdrag niet volledig geloofwaardig, omdat het in strijd zou zijn met de belangen van de Engelse staat. Daarnaast zal ook de verwantschap van de prins van Oranje met de Engelse koning Johans gedachtegang ondersteund hebben. Hoewel dit rationeel gezien wellicht logisch was, was Johan daarin mogelijke persoonlijke irrationele en ideologische gevoelens en aspiraties vergeten mee te nemen.[97] De Witt was ervan uitgegaan dat het niet tot een oorlog zou komen. Toen in 1672 toch de oorlog uitbrak, was het land daar dan ook niet op voorbereid.[98] In de tweede helft van januari van 1672 verliet Cornelis Den Haag om in Brussel onderhandelingen voor bondgenootschappen te voeren.[99] In de loop van februari 1672 werkte Johan een wetsvoorstel uit waarin Willem III zou worden benoemd tot bevelhebber tijdens één veldtocht. Op 25 februari werd hij aangesteld als kapitein-generaal.[100]

Willem III wordt ingezworen als kapitein-generaal van de Unie.
Willem III wordt ingezworen als kapitein-generaal van de Unie. Romeyn de Hooghe (vermoedelijk). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-1998-620

Toen de Fransen op 12 juni 1672 het land binnengevallen waren, was Cornelis genoodzaakt de vloot van De Ruyter te verlaten wegens ziekte. De Dordtse bevolking begon al gauw met het verspreiden van geruchten. Er werd gezegd dat Cornelis helemaal niet ziek was, maar dat hij na een flinke ruzie met De Ruyter de vloot had verlaten. Ook werd er gezegd dat hij aan boord de aanval op enkele Franse schepen had proberen te verhinderen. De Ruyter ontkende alle geruchten, maar het volk had zijn oordeel over Cornelis al geveld.[101] In het pamflet Consideratien en Circumstantien (1672), klaagde Johan dat de orde in de Republiek was verstoord. Volgens hem mocht de publieke opinie niet het laatste oordeel krijgen over de regenten, daar was deze macht veel te wankel en veranderlijk voor. Volgens Johan waren de burgers van de Republiek niet bekwaam deze taak uit te oefenen.[102] Hoewel het beleid van Johan gevoerd was met de beste bedoelingen voor de Republiek werd de ramp van 1672 hem toch persoonlijk aangerekend.[103]

Eind juni 1672 werd er door vier mannen een poging gedaan Cornelis te vermoorden in zijn eigen huis. Op 21 juni, na een vergadering van de Staten, was Johan met zijn knecht op weg naar huis toen ook op hem een aanslag werd gepleegd. Omdat zijn knecht op tijd hulp kon vinden was Johan in leven gebleven.[104]

Johan de Witt wordt op straat aangevallen door een groep gewapende mannen.
Johan de Witt wordt op straat aangevallen door een groep gewapende mannen. Romeyn de Hooghe. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-82.188

Op diezelfde dag werd er door de Staten van Holland besloten een onderhandelaar naar de Franse koning te sturen, tegen de wens van Amsterdam in.[105] Op 24 juni, toen Cornelis nog ziek in bed lag van de op hem gepleegde aanval, werd hij door bewapende burgers gedwongen een papier te ondertekenen waarmee het Eeuwig Edict ongedaan werd gemaakt. Aan het begin van juli werd Willem III door de Staten van Holland benoemd tot stadhouder.[106] Tegen het einde van juli werd Cornelis opgepakt in zijn woonplaats Dordrecht en werd hij naar de gevangenpoort in Den Haag gevoerd. Een zekere Willem Tichelaar had Cornelis beschuldigd dat hij hem had gevraagd de prins te vermoorden in ruil voor een gunst en 30.000 gulden. Cornelis beweerde dat het juist andersom was geweest en dat hij niets van die plannen had willen horen. Hij had hierover meteen de secretaris van Dordrecht ingelicht en hem gevraagd Tichelaar in de gaten te houden.[107] Op 4 augustus diende Johan zijn ontslag in als raadspensionaris bij de Staten van Holland.[108]

Woedende burgers plunderen regentenhuizen
Woedende burgers plunderen regentenhuizen (detail). Romeyn de Hooghe. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-79.309A

De volkshaat voor de regenten had zich, aangewakkerd en opgevoerd door de pamfletten, toegespitst op Johan en Cornelis. De oproer nam in zodanige mate toe dat deze zich op 20 augustus in Den Haag tot een voor de broeders desastreuze uitkomst bracht. Zij werden daar verantwoordelijk gesteld voor het slechte bestuur van de Republiek en door menigte van boze burgers vermoord.[109] Het verhaal van hun moord is door velen uitvoerig beschreven en kan op verschillende plaatsen gelezen worden. Hier volstaat het te vertellen dat zij mishandeld, neergestoken en vervolgens doodgeschoten werden, waarna hun lichamen werden verminkt.[110] Vanuit het buitenland werd met afschuw toegekeken en werd er gevreesd dat de Republiek op het punt stond in een ‘volslagen anarchie te vervallen’.[111] De moord op de gebroeders gaf overal nieuwe impulsen aan de volksbeweging tegen de regenten.[112] Op 21 augustus werden Johan en Cornelis in het holst van de nacht begraven in de Nieuwe Kerk. Hun laatste rustplaats zou echter niet lang rustig blijven en werd een paar dagen later door een boze menigte verstoord en vernield. Met moeite had men weten te voorkomen dat de gebroeders werden opgegraven en opnieuw onteerd.[113]

Carl Rabenhaupt en Bernhard van Galen (‘Bommen Berend’)

Carl Rabenhaupt (ook wel Carel of Karel), baron van Sucha, erfheer van Lichtenberg en Fremesnich, Heer tot Grumbach, Luitenant-Generaal van Stad en Lande, die wij kennen als de beroemde man die Groningen en enkele andere steden verloste van de vijand, was afkomstig uit Bohemen. Hij ontvluchtte zijn geboorteland om religieuze redenen.[114]

Prent van Rabenhaupt.
Prent van Rabenhaupt. Romeyn de Hooghe. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-1907-1928

Rabenhaupt werd opgevoed volgens de leer van de Hussieten, een protestante groepering die volgelingen waren van de theoloog Johannes Hus. Dit betekent dat hij een voorstander was van de Reformatie. In 1620 was hij in dienst bij de keurvorst van Saksen. Vanaf 1622 diende hij in het Staatse leger onder prins Maurits.[115] Hij bleef tot na de vrede van Munster (1648) en diende dus ook nog onder prins Frederik Hendrik.[116] In 1626 kwam hij naar Groningen, waar hij in dienst was onder de noordelijke stadhouder Ernst Casimir van Nassau-Dietz.[117] Als onderdeel van het leger van de Republiek was hij onder andere betrokken bij de versterking van Leerort, Bourtange en Nieuweschans. Nadat in 1648 de Vrede van Munster werd gesloten trad hij in dienst van het Hessische leger. Daar zou hij voor het eerst tegenover het Munsterse leger komen te staan.[118]

Portret van Frederik Hendrik
Portret van Frederik Hendrik. Gerrit van Honthorst (naar). Collectie Mauritshuis, Den Haag

Het zou even duren voor hij deze vijand weer zou treffen, maar in 1672, op 70-jarige leeftijd stond Rabenhaupt weer tegenover deze tegenstander, nadat de Staten van Stad en Lande hem gevraagd hadden op te treden als bevelhebber van het leger. Rabenhaupt is op dat moment nog in dienst van het Hessische leger.[119] Op 26 januari werd Bernhard Johan van Prott als kapitein van een compagnie voetknechten naar Hessen gestuurd om Rabenhaupt te vragen de verdediging van het Groningse gewest op zich te nemen.[120] Tegen enige vergoeding willen ze hem in Hessen wel afstaan om Stad en Lande uit hun benarde situatie te helpen.[121] Op 29 mei komt Rabenhaupt aan in de stad Groningen. Alle verdedigingswerken en provinciegrenzen worden in zijn opdracht versterkt. Daarbij was de schans Bourtange van groot belang, gezien die de doorgang gaf van het Munsterland naar Groningen.[122] De Friese stadhouder stelde Rabenhaupt tijdelijk aan als plaatsvervanger.[123] Nu was het wachten op de vijand.

Christoph Bernhard van Galen was afkomstig uit een invloedrijk adellijk geslacht en begon zijn bestuurlijke carrière bij het Munsterse domkapittel.[124] Hij raakte tijdens zijn leven in verscheidene conflicten met de Republiek. Hij wou bijvoorbeeld aanspraak maken op de aan hem geleende heerlijkheid Borculo in Gelderland, wat hem meermaals werd afgewezen. Ook waren er moeilijkheden omtrent brievenvervoer tussen Amsterdam en Hamburg waarbij hij betrokken was.[125] Een aantal jaar daarna, in 1663, bezette hij de Dielerschans op de grens met de Republiek vanwege een conflict met Oost-Friesland. Deze vijandige daad maakte grote indruk op de Staten-Generaal. Hij sloot in 1665 een verdrag met Engeland tegen de Republiek, zodat die laatste op zee met Engeland en op land met Munster verstrengeld was in oorlog.[126] In enkele weken veroverde hij de Achterhoek en grote delen van Overijssel, waar zijn soldaten plunderend rondtrokken.[127]  De bisschop van Munster speelde in het Rampjaar opnieuw een grote rol in de bezetting van de Republiek. Dankzij verdragen met Van Galen en Maximiliaan Hendrik, de bisschop van Keulen, kon Lodewijk XIV over hun grondgebied en met hun versterking de Republiek intrekken. Volgens de gemaakte afspraken richten de bisschoppen zich vooral op het noorden en het oosten.[128]

Portret van Bernhard van Galen.
Portret van Bernhard van Galen. Christiaan Hagen. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-1912-747

Eerder, in 1651, werd Van Galen ingewijd als prins-bisschop van Munster. In de omringende gebieden bevonden zich veel protestanten en Van Galen had hier een grote afkeer tegen. Anders dan Hussitische Rabenhaupt, die een voorstander was van de Reformatie, was Van Galen dus een voorstander van de Contrareformatie. Dit was een tegenbeweging tegen de opkomst van het steeds verder verspreidende protestantisme. Van Galen probeerde zich tegen deze verspreiding te verzetten en liet zijn mening over het protestantisme sterk voelen. Zelfs zijn eigen stad bestookte hij met mortiergranaten en brandbommen.[129] Dit laatste was Van Galen’s militaire specialiteit, wat hem zijn befaamde bijnaam bezorgde: ‘Bommen Berend’.[130] Hoewel deze bijnaam zijn bekendste werd, had hij aan het eind van de zeventiende eeuw ook een aantal andere bijnamen. Men noemde (en portretteerde) hem onder andere ‘het zwijn van Westfalen’. In het Oude Testament wordt een zwijn aangeduid als een onrein dier dat niet gegeten mag worden, daarnaast werd het zwijn in verband gebracht met een van de zeven hoofdzonden: vraatzucht.[131]

Spotprent op Mûnster (zwijn), Keulen (wolf) en Frankrijk (haan). Gemaakt nadat Engeland vrede had gesloten met de Republiek (1674).
Spotprent op Mûnster (zwijn), Keulen (wolf) en Frankrijk (haan). Gemaakt nadat Engeland vrede had gesloten met de Republiek (1674). Romeyn de Hooghe (toegeschreven aan). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-1937-912

Een grote Franse legermacht trok op 12 juli 1672 via Keuls grondgebied de Republiek binnen. Van Galen was echter al op 1 juni Overijssel binnengevallen en veroverde diezelfde maand nog de gehele provincie. Na een belegering van drie dagen viel Deventer, waarna al snel Zwolle, Kampen en veel andere plaatsen volgden. Op 5 juli capituleerde het Overijsselse Ridderschap en benoemden zij Van Galen tot nieuwe landsheer.[132] In het noorden vielen Westerwolde (m.u.v. Bourtange), delen van het Oldambt en het Westerkwartier al snel in handen van de bisschop van Munster.

Op 21 juli komt Van Galen tegenover Rabenhaupt te staan als hij begint met zijn befaamde belegering van de stad Groningen. Met kanonnen, mortier- en brandbommen bestookt hij de stad.[133]  Van Galens belegering van Groningen mag niet baten.[134] De Groningers weten zich onder leiding van Rabenhaupt sterk te houden. Er bestaat ook een volkslegende die dat heel mooi illustreert. Deze vertelt dat er Groningse huisvrouwen waren die met hun schorten de kanonskogels van Bommen Berend opvingen. Zij gaven de kogels dan aan Rabenhaupt, zodat die ze kon terugvuren naar de bommenbisschop.[135] Na een maand is de stad nog niet gecapituleerd, terwijl er in de Munsterse kampen ziekten rondgaan en gedeserteerd wordt. Op 28 augustus is Van Galen met zijn leger teruggetrokken naar Overijssel.[136] Volgens enkele Nederlandse bronnen had Van Galen toen 5.000 tot 10.000 man verloren, terwijl het verlies aan de Groningse kant bij enkele honderden doden en gewonden zou zijn gebleven.[137] De Groningers vieren op 28 augustus nog altijd ‘Bommen Berend’ ter ere van de bevrijding van de Munsterse bisschop.

Duitse prent van het beleg van Groningen
Duitse prent van het beleg van Groningen (detail). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-77.113

Doordat de Musters-Keulse legers zich in augustus hadden teruggetrokken, konden de Groningers en Friezen in september overgaan op de tegenaanval. Zij dreven de vijandige troepen gedeeltelijk terug en heroverden enkele belangrijke steden en vestingen, waaronder Blokzijl en eind december ook Coevorden.[138] De bisschop van Munster had zijn strooptochten door het Groninger land nog niet gestaakt, maar opnieuw wist Rabenhaupt hem te verdrijven. Hij achtervolgde hem zelfs tot in het gebied rondom Munster en wist hem daar te verslaan. In 1674 kreeg Rabenhaupt van Willem III de opdracht om de vesting Grave op de Fransen te heroveren. Om deze herovering te bewerkstellingen zou hij uiteindelijk 95 dagen en de steun van de prins van Oranje nodig hebben. Na Grave heroverd te hebben, was Rabenhaupt nog gouverneur van Coevorden en drostambt van Drenthe tot zijn overlijden in 1675.[139] Op 22 april 1674 had de Republiek vrede gesloten met het bisdom Munster.[140] Een paar jaar later in 1678, komt ook Van Galen te overlijden. Ondanks hun veelbewogen leven, waarin zij beiden veel hebben gevochten, werd Rabenhaupt 73 en Van Galen 72 jaar oud.

Lodewijk XIV en de Franse generaals Condé, Turenne en Luxembourg

Het leven van Lodewijk XIV begon een stuk minder onzeker dan dat van de prins van Oranje. Lodewijk werd geboren in paleis van Saint-Germain-en-Laye, gelegen ten westen van Parijs, op zondag 5 september 1638. Hij schijnt veel geleken te hebben op zijn grootvader Hendrik IV en stond dan ook bekend om hoe sociaal hij was, maar ook dat hij seksueel zeer actief, zelfverzekerd en politiek vaardig was. Van zijn moeder schijnt hij een goede gezondheid en een stevige eetlust geërfd te hebben.[141] Al direct zien we een contrast met de prins van Oranje die een paar jaar later in 1650 geboren wordt met een zwakke gezondheid en in onzekerheid over zijn toekomst. Toch had ook Lodewijk geen gemakkelijke jeugd. Zijn ouders waren niet gelukkig samen en Lodewijk XIII schijnt een hekel gehad te hebben aan zijn kinderen. Hierdoor ontwikkelden zij een slechte band met elkaar. Toen Lodewijk XIII stierf in 1634 werd het land voor elf jaar in regentschap bestuurd door de moeder van Lodewijk XIV, Anna van Oostenrijk en de door haar gekozen Giolio Mazarini, beter bekend onder zijn verfranste naam Jules Mazarin. Voor Anna was het moeilijk Lodewijk op te voeden als haar zoon en tegelijkertijd als de toekomstige koning van Frankrijk. In september 1651 werd Lodewijk meerderjarig en in 1654 vond in Reims de heilige ceremonie plaats waarin Lodewijk XIV gekroond en gewijd werd. Over de Franse monarchen bestond namelijk het idee dat zij de meest christelijke koningen waren. Mazarin leerde Lodewijk alles wat hij moest weten over het besturen van een staat. Hij maakte duidelijk dat buitenlandse zaken Lodewijks eerste prioriteit moesten zijn. Na het overlijden van Mazarin in 1661 nam Lodewijk zonder aarzeling het heft in handen.[142]

Portret van Mazarin.
Portret van Mazarin. Pierre Mignard. Collectie Musée Condé, Chantilly. Via Wikimedia Commons

            Met de vrede van Westfalen (1648) had Frankrijk een zeer sterke machtspositie opgebouwd. Lodewijk zette verschillende militaire, diplomatieke en financiële hulpmiddelen in om die positie te behouden.[143] Om de macht van Frankrijk te bedwingen, sloot Johan de Witt in 1668 het Drievoudig verbond met Engeland en Zweden. Hoewel dit eerst positief uitpakte, was dit niet geheel zonder gevolgen. Lodewijk wilde deze anti-Franse actie niet onbestraft laten en dus verscherpte Frankrijk zijn mercantilistische politiek.[144] Lodewijks minister van financiën, Jean-Baptiste Colbert, streefde naar economische onafhankelijkheid. Nederland moest voortaan forse invoerrechten betalen en bovendien zou het transport van goederen naar Frankrijk voortaan overgelaten moeten worden aan Franse zeelieden.[145]

            In 1670 was Lodewijk begonnen met het uitbreiden van zijn strijdmacht. Naast de Franse manschappen, haalden Lodewijks wervingscommissarissen zo’n 1200 man uit Genua en zo’n 20.000 man uit Zwitserland. Daarnaast was de minister van strijdkrachten, de markies van Louvois in de eerste maanden van 1672 nog druk bezig met onderhandelingen over 12.000 Engelsen, Schotten en Ieren die onderdeel zouden worden van het Franse leger. Uiteindelijk zou dit leger een ongekende omvang krijgen van zo’n 120.000 man.[146]

Portret van François-Michel Le Tellier (Louvois)
Portret van François-Michel Le Tellier (Louvois). Pierre Mignard. Collectie Musée des beaux-arts, Reims. Via Wikimedia Commons

Naast Louvois beschikte Lodewijk over twee briljante generaals: Louis II, prins van Condé, ook wel ‘de held van Rocroi’, naar zijn overwinning op de Spanjaarden in 1643, ook wel de ‘Grote Condé’ genoemd, en Henri de la Tour d’Auvergne, burggraaf van Turenne, een briljant organisator en grootmeester in de manoeuvre.[147] Condé had een aantal jaren vóór 1659 nog tegen Lodewijk gevochten. Onder andere hierdoor was de Zonnekoning vertwijfeld hem een aanstelling in zijn leger te geven. Uiteindelijk zou Condé toch een grote rol spelen in de Hollandse Oorlog door een groot aantal gebieden in de Republiek in te nemen en vooral door de overwinning te behalen in de bloedige Slag bij Seneffe. In de jaren voor de Hollandse Oorlog was Turenne al een zeer invloedrijke man. Hij had zich bekeerd tot het Katholicisme, waardoor Lodewijk meer geneigd was naar hem te luisteren in de periode tussen 1668-1670. Daarna begon zijn invloed op Lodewijk af te nemen. Lodewijk had hierna meer oren voor het advies van Louvois.[148]

Portret van Lodewijk II van Bourbon-Condé.
Portret van Lodewijk II van Bourbon-Condé. Justus van Egmont. Collectie Musée Condé, Chantilly. Via Wikimedia Commons
Portret van Henri de la Tour d’Auvergne (Turenne).
Portret van Henri de la Tour d’Auvergne (Turenne). Philippe de Champaigne (cirkel van). Via Wikimedia Commons

In de zomer van 1671 kreeg het Franse aanvalsplan een vaste vorm. In het paleis van Saint-Germain-en-Laye namen Lodewijk, Louvois, Turenne en Condé deel aan een belangrijke oorlogsvergadering. Tijdens deze vergadering werden er verschillende afspraken gemaakt over de verdeling van en aanval op de Republiek.[149] Hoewel velen dachten dat Lodewijk met zijn legers eerst Maastricht zou innemen en van daaruit verder de Republiek zou intrekken, bleek dit niet het geval te zijn. Op advies van Turenne koos Lodewijk ervoor de stad links te laten liggen.[150] Hoewel Condé voor een beleg van Maastricht was, vond Turenne dat het beleg van deze sterke vesting niet alleen te veel tijd, maar ook te veel levens zou kosten.[151] Lodewijk besloot daarop om slechts een korps van zo’n 10.000 man achter te laten om de stad in de gaten te houden.[152]

            Onder leiding van maarschalk Condé staken de Franse legers op 12 juni 1672 de Rijn over. Hoewel er door de Republiek wel weerstand werd geboden, mocht dit niet baten. Zonder al te veel problemen lukte het de Fransen de Overbetuwe binnen te trekken, waarmee de verdediging van de IJssellinie in één klap onklaar was gemaakt.[153] Condé wilde het liefst zo snel mogelijk doorstoten naar het hart van de Republiek: Den Haag en Amsterdam. Maar tijdens de binnenkomst in de Republiek was zijn pols door een kogel doorboord en was hij dus tijdelijk buiten spel gezet.[154] Daarnaast moest hij gedwongen rusten van Lodewijk en Louvois, die hem wilden straffen voor het overtrekken van de Rijn zonder hun toestemming. Dat had namelijk Lodewijks gloriemoment moeten worden.[155] Turenne besloot toen dat hij niet rechtstreeks zou doortrekken naar Holland, maar eerst zuid- en noordwaarts zou gaan. Dit is uiteindelijk de redding van Holland geworden, want hierdoor kon de Hollandse Waterlinie net op tijd gereed worden gemaakt.[156] Turenne gaf Louvois de schuld voor het trage verloop van de binnenval van het Franse leger in de Republiek.[157]

            In het tweede jaar van de oorlog werd het ook voor Frankrijk knap lastig. Hoewel Lodewijk XIV schatrijk was, betekende de oorlog op drie fronten ook voor hem een enorme financiële inspanning. De Nederlandse burgerij werd daarom door de Franse intendanten tot op de laatste stuiver uitgeknepen.[158] Om de Hollandse Oorlog spoedig tot een einde te brengen besloot Louvois 30 nieuwe regimenten ruiterij en 50 nieuwe regimenten infanterie te laten werven.[159] Ook werd er besloten de Franse legermacht in drieën te splitsen. Lodewijk nam het bevel over het leger van 30.000 man in Brabant. Turenne had het bevel over een leger van 30.000 man die de westgrens van het Duitse gebied moest bestrijken en de kwetsbare oostflank van Frankrijk moest verdedigen. Het derde leger had de Republiek als strijdtoneel, bestond uit zo’n 48.000 man en werd aangevoerd door Condé. Hij zou begin mei 1673 in de Republiek aankomen om het commando van François Henri de Montmorency-Bouteville, meestal maarschalk Luxembourg genoemd, over te nemen.[160]

Portret van François Henri de Montmorency-Bouteville (Luxembourg). Op de achtergrond is het bloedbad te Bodegraven/Zwammerdam te zien, waarvoor Luxembourg verantwoordelijk wordt gehouden.
Portret van François Henri de Montmorency-Bouteville (Luxembourg). Op de achtergrond is het bloedbad te Bodegraven/Zwammerdam te zien, waarvoor Luxembourg verantwoordelijk wordt gehouden. Anoniem. Via Wikimedia Commons.

            Luxembourg was een telg uit een van de aanzienlijkste families van Frankrijk. Tijdens de Devolutieoorlog (1667-1668) in de Spaanse Nederlanden was hij opgeklommen tot adjudant van Condé. Door zich in te zetten in de Hollandse Oorlog probeerde hij een felbegeerde benoeming te behalen tot kapitein van de koninklijke lijfwacht.[161] Hij speelde tijdens het Rampjaar een rol in de mislukte herovering van Woerden, waar hij met zijn troepen onder andere luitenant-generaal Zuylestein vermoordde. Tevens was hij aanwezig bij de berenning van Naarden. Ook trok bij in een beruchte strooptocht de bevroren Hollandse Waterlinie over. Doordat de dooi inzette mislukte het doel om het hart van de Republiek te bereiken. Als wraak en door een slechte bezetting van het Nederlandse leger zette Luxembourg de dorpen Bodegraven en Zwammerdam in lichterlaaie. Willem III trok in de winter van 1673 met een groot leger naar Bonn. Lodewijk gaf Luxembourg de opdracht Willem en zijn leger de pas af te snijden, maar de voorsprong van Willems troepen was hiervoor te groot geweest. Ook Turenne kon niet verhinderen dat de keizerlijke troepen de Rijn bereikten. Op 12 november capituleerde Bonn, de stad was voor de Fransen een belangrijk punt van bevoorrading op de lijn naar het noordelijk oorlogsgebied.[162] Volgens Turenne en Condé was dit de schuld van Louvois, die niet meer troepen naar het Duitse gebied had willen sturen.[163]

In augustus van 1674 marcheerde Willem III met een leger van 60.000 man door de Spaanse Nederlanden. Condé bevond zich – met een kleinere strijdmacht – in datzelfde gebied. Er brak een strijd uit die bekend zou worden als de Slag bij Seneffe. Deze strijd werd een groot bloedbad, waar aan beide zijden zo’n 8.000 man verloren werden. Luxembourg en de zoon van Condé waren ook gewond geraakt.[164]

Ingekleurde prent van de Slag bij Seneffe (1674). Jacobus Harrewijn
Ingekleurde prent van de Slag bij Seneffe (1674). Jacobus Harrewijn (naar Romeyn de Hooghe). Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-82.424

In oktober 1674 bezat Lodewijk XIV van al zijn veroveringen uit het Rampjaar alleen nog Maastricht. Condé raadde hem aan om een aanval op de Spaanse Nederlanden te doen, maar Lodewijk volgde dit advies niet op. Hij maakte zich te veel zorgen over de Franse oostgrens.[165] In de winter van 1674 stierf Luxembourg op 67-jarige leeftijd.[166] Eind juni 1675 werd Turenne tijdens een verkenningstocht in de omgeving van Sasbach gedood door een kanonskogel, waarna de keizerlijke troepen de Fransen over de Rijn terugdreven.[167] Condé zou hierna Turenne’s leger opvangen. Uiteindelijk moest hij zich in 1675 overgeven aan zijn jicht en met pensioen gaan.[168] Op 11 augustus 1675 verloren de Fransen van Karel IV van Lotharingen de Slag bij Konz. Vervolgens sloegen zij op 6 september beleg op Trier waardoor Lodewijk zich gedwongen zag Condé met een deel van het leger van Vlaanderen naar de Rijn te sturen en daarmee het offensief in de Spaanse Nederlanden op te schorten.[169] Het einde van Turenne, Condé en Luxembourg zou echter niet betekenen dat de Franse krijgsmacht minder effectief te werk ging.[170] Uiteindelijk werd in 1678 door de Republiek het vredesverdrag van Nijmegen ondertekend. Hierdoor kon Lodewijk met alle andere partijen aparte verdragen sluiten. Hoewel de Hollandse oorlog niet de korte slag was geweest die Lodewijk gepland had, zou hij in Nijmegen met (terrein)winst wegkomen. In Parijs werd hij vervolgens uitgeroepen tot ‘Lodewijk de Grote’.[171]

Frankrijk en Spanje tekenen de Vrede van Nijmegen (17 september 1678).
Frankrijk en Spanje tekenen de Vrede van Nijmegen (17 september 1678). Henri Gascar. Collectie Museum Het Valkhof. Via Wikimedia Commons.

            Nog vele lange jaren van oorlog zouden volgen. Maar uiteindelijk kwam er ook een zonsondergang voor de Zonnekoning. Voor 50 van de 70 jaar waarin hij regeerde was Frankrijk in oorlog. Daarvan waren 32 van de 45 jaar onder zijn eigen bewind. Zijn bewind was gericht op zijn buitenlandse politiek, zoals Mazarin het hem geleerd had en heel vergelijkbaar met zijn rivaal Willem III. Hij hief hoge belastingen om zijn oorlogen te financieren en rekruteerde manschappen voor zijn legers. Maar hij hielp burgers ook de economische tegenslagen van de oorlog doorkomen en zorgde ervoor dat Frankrijk kon bijkomen van de oorlog. Toch waren zijn oorlogen beschadigend voor binnen- en buitenland. Er was immens veel sterfte en leed door zijn oorlogsvoering, dorpen werden verwoest, oogsten verpest en het soepele verloop van de handel werd onderbroken. Toch moet Lodewijk niet gezien worden als een oorlogscrimineel. Alle zeventiende-eeuwse heersers streefden hun dynastieke belangen na door middel van huwelijken en oorlog en Lodewijk was daarin geen uitzondering op de regel. In de vroege zomer van 1715 verloor zijn eetlust en vervolgens veel gewicht. Hij trok door het paleis in een soort rolstoel. Even later werd bij hem ischias geconstateerd, een ziekte waardoor hij constante zenuwpijn in zijn been had. Dat hij een echte man van de staatsvoering was, zoals Mazarin hem had opgevoed, zou wederom blijken op zijn sterfbed. Hier zou hij – als reactie op het gejammer van de omzittenden – hebben gezegd dat hij dan wel stierf, maar dat de Staat zou voortbestaan. Hij stierf op de vroege ochtend van 1 september 1715, een paar dagen voor zijn 77ste verjaardag.[172]


[1] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 21. 

[2] J. Boogman, “De raison d’état-politicus Johan de Witt,” BMGN – Low Countries Historical Review 90, 3 (1975): 385.

[3] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 112.

[4] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[5] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 22.

[6] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[7] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 10 ‘Vechten als de vos’, p. 14/26, bol.com kobo e-book.

[8] Blok, “Nassau, (Frederik van), heer van Zuylensteyn,” Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 8 augustus 2021, p. 1358-9. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=1&page=686&view=imagePane.

[9] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 10 ‘Vechten als de vos’, p. 14/26, bol.com kobo e-book.

[10] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022); Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 122.

[11] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 25.

[12] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 2, ‘Godard Adriaan,’ p. 11/28, 12/28, bol.com kobo e-book.

[13] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 25.

[14] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[15] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 10 ‘Vechten als de vos’, p. 16/26, bol.com kobo e-book.

[16] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 126.

[17] Blok, “Johan Maurits (Johann Moritz), de Braziliaan of Amerikaan,” Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 8 augustus 2021, p. 1222-3. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=1&page=618&view=imagePane.

[18] Mauritshuis, “Johan Maurits,” Geraadpleegd op 12 augustus 2021, https://www.mauritshuis.nl/nl-nl/ontdek/mauritshuis/johan-maurits/.

[19] Blok, “Johan Maurits (Johann Moritz), de Braziliaan of Amerikaan,” Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 8 augustus 2021, p. 1222-3. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=1&page=618&view=imagePane.

[20] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 10, ‘Vechten als de vos,’ p. 15/26, bol.com kobo e-book.

[21] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 109, 111.

[22] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 63-4.

[23] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 8, ‘Tussen hoop en wanhoop,’ p. 21/26, bol.com kobo e-book.

[24] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk ‘Epiloog’, p. 1/10, bol.com kobo e-book.

[25] Regt, “Reede-Ginckel (Godard, baron van),” Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 8 augustus 2021, p 1017-9. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=3&page=516&view=transcriptiePane.   

[26] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 20 ‘Keerpunt’, p. 6/24, bol.com kobo e-book.

[27] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 66-8.

[28] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[29] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 94.

[30] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 71-2.

[31] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 200.

[32] Michel Reinders, “Die dit Biljet afscheurt, sal een Kogel tot vereeringh genieten: Pamfletten, petities en publieke politiek in de late zeventiende eeuw,” TMG Journal for Media History 13, 6 (2010): 9.

[33] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 9, ‘Men zegt…,’ p. 30/33, 31/33, bol.com kobo e-book.

[34] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 94.

[35] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 940.

[36] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 107.

[37] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 124.

[38] Blok, “Johan Maurits (Johann Moritz), de Braziliaan of Amerikaan,” Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 8 augustus 2021, p. 1222-3. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=1&page=618&view=imagePane.

[39] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 11/23, 12/23, bol.com kobo e-book.

[40] Regt, “Reede-Ginckel (Godard, baron van),” Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 8 augustus 2021, p 1017-9. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=3&page=516&view=transcriptiePane.   

[41] Blok, “Johan Maurits (Johann Moritz), de Braziliaan of Amerikaan,” Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 8 augustus 2021, p. 1222-3. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=1&page=618&view=imagePane.

[42] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[43] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 142.

[44] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[45] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 199.

[46] Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie (Hilversum: Verloren, 2001), 102.

[47] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 124.

[48] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 202.

[49] Lisa Jardine, Going Dutch: How England Plundered Holland’s Glory (London: Harper Press, 2008), 1, 18.

[50] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 967.

[51] Regt, “Reede-Ginckel (Godard, baron van),” Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 8 augustus 2021, p 1017-9. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=3&page=516&view=transcriptiePane.   

[52] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[53] Olaf van Nimwegen, De Veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 240.

[54] Jan van Es en Bernt Feis, In het Spoor van de Prins, De Wereld van Willem III (verwacht: voorjaar 2022).

[55] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 207.

[56] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 114.

[57] Luc Panhuysen, “De onoverwinnelijke Michiel de Ruyter: Onzelfzuchtig tacticus met hart voor zijn mannen,” Historisch Nieuwsblad 2 (2006) Geraadpleegd via PDF op Stichting Michiel de Ruyter, Documenten & Links, Geraadpleegd op 3 augustus 2021, https://www.deruyter.org/zeeman.

[58] Rijksmuseum, “Michiel Adriaenszoon de Ruyter,” Bulletin van het Rijksmuseum 5, 2 (1957): 27.

[59] Luc Panhuysen, “De onoverwinnelijke Michiel de Ruyter: Onzelfzuchtig tacticus met hart voor zijn mannen,” Historisch Nieuwsblad 2 (2006) Geraadpleegd via PDF op Stichting Michiel de Ruyter, Documenten & Links, Geraadpleegd op 3 augustus 2021, https://www.deruyter.org/zeeman.

[60] Rijksmuseum, “Michiel Adriaenszoon de Ruyter,” Bulletin van het Rijksmuseum 5, 2 (1957): 27.

[61] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 195.

[62] Piet van de Geer, “De Zeeheld Van Ghent komt uit Winssen,” Tweestromenland 168 (mei 2016): 2-4.

[63] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 116.

[64] Luc Panhuysen, “De onoverwinnelijke Michiel de Ruyter: Onzelfzuchtig tacticus met hart voor zijn mannen,” Historisch Nieuwsblad 2 (2006) Geraadpleegd via PDF op Stichting Michiel de Ruyter, Documenten & Links, Geraadpleegd op 3 augustus 2021, https://www.deruyter.org/zeeman.

[65] Piet van de Geer, “De Zeeheld Van Ghent komt uit Winssen,” Tweestromenland 168 (mei 2016): 4.

[66] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 116.

[67] Piet van de Geer, “De Zeeheld Van Ghent komt uit Winssen,” Tweestromenland 168 (mei 2016): 4, 6.

[68] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 53.

[69] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 123.

[70] Piet van de Geer, “De Zeeheld Van Ghent komt uit Winssen,” Tweestromenland 168 (mei 2016): 7-8.

[71] Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid: De Levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2005), 409-10.

[72] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 7, 53.

[73] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 56.

[74] Stichting Michiel de Ruyter, “Rampjaar 1672,” Ontdek Michiel de Ruyter, Geraadpleegd op 3 augustus 2021, https://www.deruyter.org/homepage-als-strateeg-strateeg-sub3. 

[75] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 75.

[76] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 18 ‘Nieuwsdienst’, p. 6/29, 7/29, bol.com kobo e-book.

[77] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 75.

[78] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 9/23, bol.com kobo e-book.

[79] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 126.

[80] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 199.

[81] Frans van Bork en Bernt Feis, Stille wateren diepe gronden, Stiltegebieden en Oude Hollandse Waterlinie (Woerden, 2021), 13.

[82] Het Scheepvaartmuseum, “Zeeslag bij Kijkduin,” Geplaatst op 20 augustus 2020, Geraadpleegd op 21 juli 2021, https://www.hetscheepvaartmuseum.nl/collectie/artikelen/682/zeeslag-bij-kijkduin.

[83] Rijksmuseum, “Michiel Adriaenszoon de Ruyter,” Bulletin van het Rijksmuseum 5, 2 (1957): 27.

[84] Luc Panhuysen, “De onoverwinnelijke Michiel de Ruyter: Onzelfzuchtig tacticus met hart voor zijn mannen,” Historisch Nieuwsblad 2 (2006) Geraadpleegd via PDF op Stichting Michiel de Ruyter, Documenten & Links, Geraadpleegd op 3 augustus 2021, https://www.deruyter.org/zeeman.

[85] Piet van de Geer, “De Zeeheld Van Ghent komt uit Winssen,” Tweestromenland 168 (mei 2016): 8.

[86] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 17.

[87] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 7.

[88] J. Boogman, “De raison d’état-politicus Johan de Witt,” BMGN – Low Countries Historical Review 90, 3 (1975): 382, 387, 395-6.

[89] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 115.

[90] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 9 ‘Men zegt…’, p. 5/33, bol.com kobo e-book.

[91] Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid: De Levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2005),, 340.

[92] J. Boogman, “De raison d’état-politicus Johan de Witt,” BMGN – Low Countries Historical Review 90, 3 (1975): 382, 387, 395-6.

[93] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 111.

[94] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 114.

[95] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 22.

[96] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 121-2, 124.

[97] J. Boogman, “De raison d’état-politicus Johan de Witt,” BMGN – Low Countries Historical Review 90, 3 (1975): 404, 406.

[98] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 197.

[99] Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid: De Levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2005), 391.

[100] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 2 ‘Godard Adriaan’, p. 11/28, 12/28, bol.com kobo e-book.

[101] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 7.

[102] Michel Reinders, “Die dit Biljet afscheurt, sal een Kogel tot vereeringh genieten: Pamfletten, petities en publieke politiek in de late zeventiende eeuw,” TMG Journal for Media History 13, 6 (2010): 16.

[103] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds. Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 198-9.

[104] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 8.

[105] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 7 ‘Water en Sleutels’, p. 19/27, bol.com kobo e-book.

[106] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 7 ‘Water en Sleutels’, p. 23/27, bol.com kobo e-book.

[107] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 7.

[108] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 8 ‘Tussen hoop en wanhoop’, p. 25/26, bol.com kobo e-book.

[109] Michel Reinders, “Die dit Biljet afscheurt, sal een Kogel tot vereeringh genieten: Pamfletten, petities en publieke politiek in de late zeventiende eeuw,” TMG Journal for Media History 13, 6 (2010): 11.

[110] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 912.

[111] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 121.

[112] Jonathan I. Israel, De Republiek 1477-1806, Deel II: vanaf 1647 (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen-Franeker, 1996), 913.

[113] Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid: De Levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2005), 462.

[114] Eysten, “Rabenhaupt (Karel),” in Nieuw Nederladsch Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 31 juli 2021, p. 1149, http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw

[115] J.A. Ph. Laguette, “Beleg en herovering van Grave in 1674,” Militaire Spectator 12, jaargang 143 (December 1974): 555. 

[116] Henk Boels en Albert Buursma, “Groninger Boegbeeld 12: Carel Rabenhaupt,” De verhalen van Groningen,  geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-boegbeeld-12-carel-rabenhaupt.

[117] Eysten, “Rabenhaupt (Karel),” in Nieuw Nederladsch Biografisch Woordenboek, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Geraadpleegd op 31 juli 2021, p. 1149, http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw

[118] Henk Boels en Albert Buursma, “Groninger Boegbeeld 12: Carel Rabenhaupt,” De verhalen van Groningen,  geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-boegbeeld-12-carel-rabenhaupt.

[119] Henk Boels en Albert Buursma, “Groninger Boegbeeld 12: Carel Rabenhaupt,” De verhalen van Groningen,  geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-boegbeeld-12-carel-rabenhaupt.

[120] Albert Buursma, “Een Bourtanger held in het Westerkwartier,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd op 14 juli 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/een-bourtanger-held-in-het-westerkwartier.

[121] Henk Boels en Albert Buursma, “Groninger Boegbeeld 12: Carel Rabenhaupt,” De verhalen van Groningen,  geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-boegbeeld-12-carel-rabenhaupt.

[122] Albert Buursma, “Een Bourtanger held in het Westerkwartier,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd op 14 juli 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/een-bourtanger-held-in-het-westerkwartier.

[123] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus 2021), Hoofdstuk 8 ‘Tussen hoop en wanhoop’ p. 12/26, bol.com kobo e-book.

[124] Canon van Nederland, ““Beernke de koodief” De Munsterse oorlogen,” Canon van Overijssel, Geraadpleegd op 31 juli 2021, https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/overijssel/beernke-de-koodief.

[125] P.J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 3 (Leiden: A.W. Sijthoff, 1925), 133-4

[126] P.J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 3 (Leiden: A.W. Sijthoff, 1925), 133-4

[127] Canon van Nederland, ““Beernke de koodief” De Munsterse oorlogen,” Canon van Overijssel, Geraadpleegd op 31 juli 2021, https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/overijssel/beernke-de-koodief.

[128] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 41, 47.

[129] Canon van Nederland, ““Beernke de koodief” De Munsterse oorlogen,” Canon van Overijssel, Geraadpleegd op 31 juli 2021, https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/overijssel/beernke-de-koodief.

[130] Canon van Nederland, ““Beernke de koodief” De Munsterse oorlogen,” Canon van Overijssel, Geraadpleegd op 31 juli 2021, https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/overijssel/beernke-de-koodief.

[131] Lidia Kooistra, “Gronings Ontzet: afrekening met ‘Dat Duivels Broedtzel’,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd op 14 juli 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groningens-ontzet-afrekening-met-dat-duivels-broedtzel.

[132] Canon van Nederland, ““Beernke de koodief” De Munsterse oorlogen,” Canon van Overijssel, Geraadpleegd op 31 juli 2021, https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/overijssel/beernke-de-koodief.

[133] Henk Boels en Albert Buursma, “’Groninger Ijkpunt 20: Bommen Berend,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-ijkpunt-20-bommen-berend.

[134] Henk Boels en Albert Buursma, “’Groninger Ijkpunt 20: Bommen Berend,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-ijkpunt-20-bommen-berend.

[135] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 74.

[136] Henk Boels en Albert Buursma, “’Groninger Ijkpunt 20: Bommen Berend,” De verhalen van Groningen, geraadpleegd op 16 juni 2021, https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/groninger-ijkpunt-20-bommen-berend.

[137] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 121.

[138] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 74.

[139] J.A. Ph. Laguette, “Beleg en herovering van Grave in 1674,” Militaire Spectator 12, jaargang 143 (December 1974): 555. 

[140] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 75.

[141] Richard Wilkinson, Louis XIV, tweede editie (Londen: Routledge, 2017), 14-5.

[142] Richard Wilkinson, Louis XIV, tweede editie (Londen: Routledge, 2017), 15-7, 23, 26, 35-6.

[143] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 199.

[144] Friso Wielenga, Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden (Amsterdam: Boom, 2012), 118.

[145] J.C.H. Blom en E. Lamberts, eds., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2014), 196.

[146] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012) Hoofdstuk 2 ‘Godard Adriaan’, p. 4/28, Bol.com Kobo E-book.

[147] Luc Panhuysen, “Waterlinie 1672: een redding op het nippertje,” Geschiedenis van Zuid-Holland, geraadpleegd op 13 juli 2021, https://geschiedenisvanzuidholland.nl/verhalen/verhalen/waterlinie-1672-een-redding-op-het-nippertje/

[148] Guy Rowlands, The Dynastic State and the Army under Louis XIV: Royal Service and Private Interest, 1661-1701 (Cambridge: Cambridge University Press, 2002), 53, 306.

[149] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 112.

[150] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 41.

[151] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012) Hoofdstuk 4 ‘De aanval’, p. 20/22, Bol.com Kobo E-book.

[152] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 41.

[153] Petra Dreiskämper, ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum: Verloren, 1998), 42.

[154] Luc Panhuysen, “Waterlinie 1672: een redding op het nippertje,” Geschiedenis van Zuid-Holland, geraadpleegd op 13 juli 2021, https://geschiedenisvanzuidholland.nl/verhalen/verhalen/waterlinie-1672-een-redding-op-het-nippertje/

[155] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 119.

[156] Luc Panhuysen, “Waterlinie 1672: een redding op het nippertje,” Geschiedenis van Zuid-Holland, geraadpleegd op 13 juli 2021, https://geschiedenisvanzuidholland.nl/verhalen/verhalen/waterlinie-1672-een-redding-op-het-nippertje/

[157] Guy Rowlands, The Dynastic State and the Army under Louis XIV: Royal Service and Private Interest, 1661-1701 (Cambridge: Cambridge University Press, 2002), 53.

[158] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012) Hoofdstuk 14 ‘Het tweede oorlogsjaar’, p. 16/23, 17/23, Bol.com Kobo E-book.

[159] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012) Hoofdstuk 14 ‘Het tweede oorlogsjaar’, p. 4/23, Bol.com Kobo E-book.

[160] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012) Hoofdstuk 14 ‘Het tweede oorlogsjaar’, p. 7/23, 8/23, 10/23, Bol.com Kobo E-book.

[161] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012) Hoofdstuk 10 ‘Vechten als de vos’, p. 6/26, Bol.com Kobo E-book.

[162] Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 133.

[163] Guy Rowlands, The Dynastic State and the Army under Louis XIV: Royal Service and Private Interest, 1661-1701 (Cambridge: Cambridge University Press, 2002), 54.

[164] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012) Hoofdstuk 22 ‘De oorlog gaat door’, p. 18/23, 19/23, 20/23, Bol.com Kobo E-book.

[165] Olaf van Nimwegen, De Veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 130.

[166] Olaf van Nimwegen, De Veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 240.

[167] Olaf van Nimwegen, De Veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 152.

[168] Guy Rowlands, The Dynastic State and the Army under Louis XIV: Royal Service and Private Interest, 1661-1701 (Cambridge: Cambridge University Press, 2002), 306.

[169] Olaf van Nimwegen, De Veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning (Amsterdam: Prometheus, 2020), 152.

[170] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012), Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 20/22, bol.com kobo e-book.

[171] Luc Panhuysen, Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (Olympus, 2012) Hoofdstuk 23 ‘Bouwvrouwe’, p. 21/22, 22/22, Bol.com Kobo E-book.

[172] Richard Wilkinson, Louis XIV, tweede editie (Londen: Routledge, 2017), 140, 250, 252-3.

Literatuurlijst

Mocht je na de informatie op deze website nog geen genoeg hebben gekregen van de verhalen over het Rampjaar en de belangrijke figuren die daarin een rol speelden, dan zijn er gelukkig nog talloze boeken en artikelen die je kunt lezen. Hieronder volgt een kleine selectie.

  • Michel Reinders. “Die dit Bilject afscheurt, sal een Kogel tot vereeringh genieten: Pamfletten, petities en publieke politiek in de late zeventiende eeuw.” TMG Journal for Media History 13, 6 (2010): 6-23.
    Vond je ons stukje over de pamfletten interessant en wil je er graag wat meer over weten? Duik dan eens in het artikel van Michel Reinders. In dit artikel gaat Reinders dieper in op de explosieve stijging van het aantal pamfletten in de Republiek, waar deze behoefte vandaan kwam en hoe de pamfletten een prominente plek kregen in de Nederlandse politieke cultuur
  • Petra Dreiskämper. ‘Redeloos, radeloos, reddeloos’: De geschiedenis van het rampjaar 1672. Hilversum: Verloren, 1998.
    Dreiskämper’s Redeloos, radeloos, reddeloos is een standaardwerk als het gaat om het Rampjaar. Zij opent haar boek met een gedetailleerde schets van de moord op de gebroeders De Witt. Het boek is maar kort. In nog geen honderd pagina’s weet Dreiskämper een overzichtelijk beeld te geven van wat zich binnen en buiten de landsgrenzen afspeelde ten tijde van het Rampjaar.
  • Friso Wielenga. Geschiedenis van Nederland: Van Opstand tot heden. Amsterdam: Boom, 2012.
    Kun je maar niet genoeg krijgen van de Nederlandse geschiedenis, en zou je meer willen weten over de aanloop naar en de gevolgen van het Rampjaar voor de Republiek, dan is het boek van Friso Wielenga wat voor jou. Met dit boek krijg je een beter beeld van de plek die her Rampjaar innam in verhouding tot de rest van de Nederlandse geschiedenis.
  • Luc Panhuysen. Rampjaar 1672: Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte. Amsterdam: Olympus, 2012.
    Wil jij het Rampjaar beleven door de ogen van een getuige, dan ben je bij Panhuysen aan het goede adres. Via de brieven van Godard Adriaan van Reede, zijn vrouw Margaretha Turnor van Amerongen en hun zoon Godard van Reede duik jij in duizelingwekkend detail het Rampjaar in. Beleef de politieke intrige, de wanhoop maar ook de vreugde van dichtbij in dit toegankelijke boek.
  • Olaf van Nimwegen, De veertigjarige oorlog 1672-1712: De strijd van de Nederlanders tegen de Zonnekoning. Amsterdam: Prometheus, 2020.
    Het Rampjaar ontvouwde zich in een serie van oorlogen, waar Van Nimwegen in zijn uitgebreide werk een politiek en militair overzicht van geeft. Wil jij meer weten over het vervolg van de strijd tussen Willem III en Lodewijk XIV? Kun jij geen genoeg krijgen van het spel van balans waarin de Europese mogendheden zich aan het eind van de zeventiende en vroege achttiende eeuw zich bevinden? Dan zal dit boek je zeker niet teleurstellen.
  • Jonathan I. Israel, The Dutch Republic: Its Rise, Greatness, and Fall 1477-1806. Oxford: Oxford University Press, 1998.
    Israel’s boek is wellicht een van de meest bekenden over de Nederlandse geschiedenis. Deze dikke pil, geschreven door een Engelsman, wordt door velen gezien als het standaardwerk over de Republiek. Over de jaren is deze regelmatig herzien en vertaald en dus voor iedereen te lezen. In vogelvlucht neemt Jonathan je mee door meer dan 300 jaar Nederlandse geschiedenis, waarvan het Rampjaar uiteindelijk de neergang inzette.
  • Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid: De levens van Johan en Cornelis de Witt. Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2015.
    Hoe had het nou zo kunnen lopen met de gebroeders De Witt? In zijn grote maar toegankelijke historische biografie over het leven van de broers neemt Panhuysen je mee langs hun grootste overwinningen en hun diepste dal. Net als in zijn boek over het Rampjaar maakt Panhuysen onder andere uitgebreid gebruik van de brieven die de gebroeders De Witt en hun tijdgenoten achterlieten. Hierdoor is het net alsof je over hun schouders meekijkt naar de tijd waarin de broeders zich bevonden.
  • Wout Troost, Stadhouder-koning Willem III: Een politieke biografie. Hilversum: Verloren, 2001.
    Onze eigen Willem III had een veelbewogen leven. Hij begon in 1650 als vaderloos kind zonder aanspraak op het stadhouderschap en eindigde als stadhouder van de Republiek en koning van Engeland, Schotland en Ierland toen hij stierf in 1602. Zijn leven zou zich op laten slokken door het indammen van de macht van de Franse Lodewijk XIV. Zijn politieke leven wordt door Troost uitvoerig beschreven in deze toegankelijke en overzichtelijke historische biografie.

Naast boeken en artikelen zijn er ook websites die op verschillende manieren dieper ingaan op de geschiedenis van de Republiek en het Rampjaar. Als je meer wil weten over je eigen regio ten tijde van het Rampjaar, klop dan eens aan bij je lokale archief of ga eens op onderzoek uit op het internet. Hieronder volgt een kleine selectie.

Kijk ook eens op de regiocanons (www.canonvannederland.nl/nl/regiocanons) van Canon van Nederland (www.canonvannederland.nl/) voor meer regionale geschiedenis tijdens en buiten het Rampjaar. v

Meer weten?

Wilt u meer weten over de Viering en Herdenking Rampjaar 1672, heeft u ideeën hoe deze op een aansprekende manier te promoten, wilt u meewerken aan de voorbereidingen van het Jubileumjaar 2022

Mail ons

Publicaties

Er is al het nodige geschreven over het Rampjaar. Het overzicht hierna laten we de komende tijd groeien. Met magazines, brochures en andere publicaties.

Bekijk

Nieuws

Er gebeurt veel rondom de herdenking en viering van het Rampjaar 1672. Er is een tentoonstelling over het Rampjaar in het Utrechts Archief. Er worden tal van publicaties voorbereid.

Nieuws

Menu